zaterdag 4 september 2010

57: Rare dingen

Zijn er nooit rare dingen gebeurd tijdens een heilige mis? Ja, alsof zo’n mis zelf al niet raar genoeg was. Enfin, in mijn eersete jaren ging het er allemaal nog heel ouderwets aan toe. De priester las de mis uit een enorme bijbel die op een forse houten standaard lag opengeslagen, op het altaar. Hij deed dat met zijn rug naar de beminde gelovigen, die zagen alleen de achterkant van zijn kazuifel.
Ergens tussen de lezing van het epistel (oude testament? brieven van de apostelen?) en het evangelie (nieuwe testament) moest dat hele geval (bijbel + standaard) van de rechterkant van het altaar worden verplaatst naar de linkerkant. Waarom? Dat deed er niet toe, het was gewoon zo, het ritueel.
Dat verplaatsen deed de priester niet zelf, daar was de misdienaar voor. Dus je kwam overeind van je knielkussen aan de zijkant van het priesterkoor, ging de drie treden op naar het altaar toe, pakte het houten geval stevig beet, ging aan de zijkant die drie treden weer af, liep om het altaar heen (in het midden moest je stoppen, knielen en weer verder gaan), aan de andere kant ging je de drie treden weer op en sjouwde je het geval op het altaar. De eerste of de tweede keer dat ik dat moest doen voelde ik me er niet tegen opgewassen, ik zag mezelf al ruggelings met bijbel en standaard en al van de trap af flikkeren – zoals ook weleens gebeurd was, zij het niet met mij. Dat fluisterde ik dus tegen de priester, met hoogrode wangen en kloppend hart. Ik was er van overtuigd dat god zelf dit hoorde en zag, op datzelfde moment, en dat mijn onsterfelijke ziel ernstig gevaar liep.
Zonder op of om te kijken pakte de priester de standaard en zette hem hup aan de linkerkant van het altaar. Fluitje van een cent. Kraaide geen haan naar en ook god bliksemde of donderde niet door deze inbreuk op het ritueel. Ik haalde opgelucht adem.

56: Niet voor niets.

Het was natuurlijk allemaal niet voor niets, deze voorstellingen in de kerk van de Trouwlaan, niet gratis dus. De pastoor en zijn kapelaans moesten tenslotte ook eten. Dat begrafenissen en huwelijksmissen geld kostten, dat ging volledig aan mij voorbij. Maar in gewone missen werd gecollecteerd en op zondag werd ook plaatsengeld opgehaald. Dat leidde tot een scheiding der geesten (of eigenlijk: een scheiding der lichamen). De collecte, die was vrijwillig. Je kon gewoon je hoofd afwenden als de collectant zijn collectezak (een rode, fluwelen zak met een kwastje en een koperen rand aan een lange stok) voor je neus hield. Maar plaatsengeld was verplicht. Dat stond ook vast, er waren vaste tarieven en als je te veel gaf kreeg je wisselgeld terug. Hoe gering de bedragen ook waren (fl 0,05), er waren nogal wat parochianen die de kerk geen cent gunden en dus niet in de banken gingen zitten (want dan moest je betalen) maar die achter in de kerk bleven staan. Staan kostte niets! In onze ogen waren dat schooiers, maar de echte vraag is natuurlijk waarom ze überhaupt nog naar de kerk kwamen.

zaterdag 28 augustus 2010

55. Na het natgooien de kerk uit.

Het mooie van het dienen van een begrafenismis was vooral, dat je na het uitroken ('bewieroken') en natgooien ('zegenen') van de kist, de kerk uit ging, in vol ornaat en onder de klanken van 'In paradiso'. De kist had de hele dienst vooraan in de kerk gestaan, in de gang vlakbij het priesterkoor. Daar hadden we hem ten slotte bewierookt en gezegend. Dat achter de rug kwamen de kraaien in het geweer: oude mannen in jacquet die aan weerszijden van de baar gingen staan en die de kerk uit begonnen te duwen, achter ons aan. Tussen de banken door naar de grote kerkpoort, die bij deze gelegenheid openzwaaide - en daar gingen we, het felle licht van de werkdag in.
Voorop de priester in kazuifel met in zijn handen een kruis op een hoge stok, daar achter de misdienaars in hun togen en superplies, dan de kist, gedragen of geduwd door de kraaien, dan de weduwe, gebogen, klagend, huilend, ondersteund door een familielid, dan de rest van de familie, dan vrienden en bekenden. Een hele optocht. Eerst de Pastoor Vromansstraat door (links de friettent), Trouwlaan oversteken, over het pleintje (rechts fietsenmaker Bissele, links drankenhandel Van Eijck), Christiaan Huygensstraat in. Via het Laurens Kosterplein (rechts visboer Van Laarhoven, links een sigarettenzaak) de Oerlesestraat in. Die liepen we uit tot het Korvelplein (rechts kaardenfabriek Diepen). Achter de Korvelse kerk was het kerkhof. Zijn laatste rustplaats!
(Geen idee hoe we het deden als het hard regende.)

54. Het mooie van begrafenissen

Een gewone, doordeweekse mis duurde een half uur, soms wat korter als pater Victorianus hem deed want die was oud en raffelde de gebeden af (en hij wilde altijd alle wijn uit het kannetje in zijn kelk, en helemaal geen water erbij - zodoende dronk hij het bloed van christus onverdund). Een zondagsmis duurde langer, want: de preek. En: er waren meer mensen die ter communie gingen. Ongeveer drie kwartier.
En dan had je natuurlijk bruiloften en begrafenissen. Vooral begrafenissen waren leuk: gewoon onder schooltijd, dat alleen al. Dat waren bruiloften ook (gewoon onder schooltijd), maar die vond ik wat vager, als gebeurtenis. Een begrafenis was lekker duidelijk: hij was dood en nu ging hij onder de grond. En aan het einde van de dienst gebeurde er dan van alles waar je als misdienaar een belangrijke rol in speelde: het wierookvat dat je al vóór de mis moest prepareren en dat dan de hele mis hing te dampen. Op het gloeiende kooltje moest je op het laatst korrels strooien en dan deed je met veel geratel (ijzeren ketting door ijzeren oog) het deksel op het vat en zo gaf je het aan de priester: gesloten, walmend door het opengewerkte deksel. De priester liep er drie keer mee om de kist heen, zwaaiend, walmend, prevelend.
Dan kwam het wijwater. Daarbij was pater Victorianus mijn favoriet, want terwijl de andere paters met de kwast soms maar nauwelijks het water raakten en het allemaal wel erg symbolisch werd, dat gesprenkel, duwde Victorianus de kwast resoluut tot aan het heft in de emmer en spetterde er al zegenend lustig op los. Nat moest die kist! Waar voor je geld!

maandag 23 augustus 2010

53. Confiteor.

De priester had meer werk met aankleden en het kwam ook preciezer, hij moest er allerlei gebeden bij zeggen en bezweringen mompelen en kruizen slaan enzo. Het ging ook volgens een voorgeschreven volorde, daar viel niet aan te tornen (Ja, als misdienaar kon je natuurlijk ook niet eerst je superplie aantrekken en daarna je toog, maar dat was praktisch. Bij de priester was het ritueel.) Zo was er bijvoorbeeld een kledingstuk dat hij moest kussen vóór hij het om zijn nek sloeg. Een stola was dat, een soort sjaal zeg maar, maar dan heilig.
Het eindigde natuurlijk met het kazuifel, dat hing terzijde over een houten standaard (Zeg niet 'kapstok', dat is niet eerbiedig.) De andere kledingstukken (verkleedspullen) lagen precies in de goede volgorde uitgespreid over een hoge tafel. Het was het werk van de koster om te zorgen dat alles daar klaar lag, opengevouwen, zodat de priester niet afgeleid werd uit zijn plechtige state of mind door al te praktische details.
Priester klaar? Ja Heer! Hij monsterde de wachtende misdienaars met strenge blik, trok soms nog wat aan een scheefzittende superplie, en gaf vervolgens het teken: vooruit met de geit. In optocht marcheerden we de sacristie uit, het priesterkoor op: misdienaar 1, misdienaar 2, priester in vol ornaat. Bij het betreden van het priesterkoor gaf misdienaar 1 een flinke ruk aan het koord van de bel die daar hing - BENG - en daarmee was de Heilige Mis begonnen. Het eerste gebed was het Confiteor! Confiteor Deo omnipotenti...etc etc.

52. En wij zagen hem....

Misdienen was leuk om te doen, maar toch was het raar, achteraf: die metafysische enclave middenin het dagelijks leven. Ach, dat was ook de kracht natuurlijk, het hoorde er gewoon bij, er werden geen vragen over gesteld.
Als misdienaar ging je een kwartier vóór de mis begon de sacristie binnen, de kleedkamer van de priester zeg maar. Daar was een bijvertrek waar de togen en de superplies voor de misdienaars hingen. Jas uit, toog aan over je kleren. Een lange, zwarte effen jurk was dat, tot op je schoenen, met een opstaand boordje. Bij plechtige missen met veel misdienaars was het altijd vechten om de gangbare maten. Als je een te lange toog kreeg, moest er een broekriem omheen om te voorkomen dat je erover struikelde. Te kort, ja, daar was niets aan te doen, dan liep je gewoon voor schut.
Over de zwarte toog ging een witte superplie met een wijde hals en wijde mouwen en veel kantwerk aan de manchetten. Die superplies, dat waren wel mooie dingen.
Met die superplie aan was je klaar en kon je het aankleden van de priester bekijken. Die had meer en plechtiger werk. In dat bijvertrek waar je moest wachten was ook het 'heilig putje': een kleine wastafel met kraan die niet afwaterde in het riool, want daar waste de priester zijn handen na de Heilige Mis, en alle hostiekruimels die nog aan zijn vingers kleefden gingen dus door die afvoer. Ik weet niet hoe de loodgieters dat indertijd oplosten.

donderdag 29 juli 2010

51. God zag ons...

God zag ons, natuurlijk. All the time. Ik herinner me afbeeldingen van een driehoek met daarin een oog, die precies dat wilde zeggen: god ziet je, altijd.
Het boze oog, denk je achteraf.
Zo rond mijn twaalfde, dertiende, heb ik afscheid genomen van die hele santekraam. Het kwam me opeens zo onwaarschijnlijk voor, dat gedoe. Een man met een baard in een bizar kostuum die met zijn rug naar een volle zaal (toen nog wel) onverstaanbare formules en beweringen mompelt en vreemde gebaren maakt en dan brood uitdeelt dat het lichaam en bloed van christus is. (Is. Niet: symboliseert. Er zijn er wel voor mindere ketterij op de brandstapel beland.) En iedereen knikt. Amen. Hoe dom kun je zijn?
(En Yoeri Gagarin, de eerste astronaut die terugkwamen zei ik heb god nergens gezien, dat vond ik ook wel een sterke.)
Maar misdienaar van mijn zesde tot mijn twaalfde, dat was leuk. Vooral de latijnse gebeden, dat je die van buiten leerde en dan werd overhoord door de kapelaan tot het feilloos was (maar nog steeds niets betekende), je voelde je toch speciaal, ingewijd. Het credo in het latijn, ik kan het nog steeds opdreunen, feilloos. Kapelaan Wilbert zou trots op me zijn.

woensdag 28 juli 2010

50. 'Dat hoort niet'

De jaren 50 waren ook de jaren van logeren. De familie van onze pa uit Haarlem kwam vaak deze kant op. En wij gingen die kant op voor vakantie (daarover later meer). Die logeerpartijen gingen soms gepaard met hindernissen, want waar moest iedereen slapen? Zo kwam neef Han een paar dagen op bezoek met zijn verloofde Wil. (Van Haarlem naar Tilburg dat was een hele reis, dat deed je niet voor één dag op en neer.)
Tja. Wij, de kinderen, wisten natuurlijk meteen hoe dat moest met slapen: die konden toch mooi in het tweepersoonsbed van mijn zussen! Dat was toch ideaal?
Waarschijnlijk vonden Han en Wil dat ook, maar zo ging het natuurlijk niet gebeuren. En het probleem voor ons pap en smam was: hoe leg je dat uit?
De simpele oplossing was: niet. Je legt niks uit maar je roept gewoon de toverformule te hulp die luidt: dat hoort niet.
Die formule smoorde alle discussies in de Trompstraat in de kiem, want wij wisten allemaal: je deed zoals het hoorde.
Maar waarom hoorde dat niet? Zo ver vroegen wij niet door ('Het hoort niet en verder wil ik er niets meer over horen.'), thuis. Op school wel, vertelde de non die les gaf aan ons Anneke tegen mijn moeder: 'Ja, ik kreeg die vraag dwars door de klas, er komt bij ons een verloofd stel op bezoek en die mogen niet bij elkaar in één bed slapen van ons pap en ons mam. Snapt u dat nou?'
'Ach', had de non gezegd, 'Dat hoort nu eenmaal niet.'
'Waarom niet?'
'Dat mag pas als je getrouwd bent.'
Het raadsel was hiermee niet opgelost maar het was wel een stapje verder. Het had dus met trouwen te maken.
Waar Han en Wil geslapen hebben weet ik niet meer.

zondag 4 juli 2010

49. Gebakken spons.

Geen hondengezin maar een poezengezin. Veel katten hebben elkaar afgewisseld, steeds vergiftigd door omwonende duivenmelkers en volierehouders. Niet dat ze het speciaal op onze katten hadden voorzien, al dachten wij dat toen wel, maar gewoon om hun postduiven en kanaries te beschermen bakten ze stukjes spons in vet en strooiden dat rondom hun hokken. De katten waren er dol op, ze vraten het! Maar dan kregen ze er dorst van en als ze dronken dan gingen die sponjes in hun maag opzwellen tot ie knapte. Daarmee stierven ze een tamelijk gruwelijke dood die mijn zus en ik eens indringend meemaakten toen we een avond alleen thuis waren en de kat van dat jaar kermend binnen strompelde, met een raar gezwollen lijf en zich van de pijn geen raad wetend. Mauwend ging hij achter de bank liggen om te sterven, volslagen radeloos en in tranen hurkten wij bij hem en zagen hem in een erg lang halfuur sterven. Drama!
Er werd ook gefluisterd dat er kattenneppers waren in de buurt, maar wat voor afzichtelijke en schrikwekkende beulen we ons daarbij moesten voorstellen, daar begonnen we liever niet aan.

48. Ademo.

De moderne tijd klopte aan de deur - vaak op muzikale voeten. Oude herinneringen zijn Anneke Gronloh met Brandend Zand en Willeke Alberti met Spiegelbeeld. Dat was de tijd dat de Beatles nog apen waren. Oh, en Ademo natuurlijk. Ademo! Vous permettez monsieur. Paula, dolce Paula. Quand les roses. En als je dan eenmaal echt op de hoogte was zei je geen Ademo, maar Adámo.
Salvatore. Met al die broertjes en zusjes op de teevee. Tranentrekken. Hij sprak zelfs een beetje Nederlands.
In Trompstraat 7 kwam een platenpot. Elke week legden we allemaal een dubbeltje in en als er genoeg was voor een singeltje mochten we dat om de beurt uitkiezen.
Pick up! Eerst een tweedehandsje van ome Jo, een soort kofferpick up. Daarna kochten we zo´n stereomeubel van Philips, spuuglelijk, op pootjes, met een fineerklep die je naar beneden toe opentrok en dan keek je in het vak waar in de bodem een draaitafel zat. Tamelijk zware, handmatige bediening met knoppen die je echt om moest zetten en die dan een harde klik gaven. 45 toeren, 33 toeren en, en dat was toen al nostalgisch, ook 78 toeren.
Ik kreeg het tweedehandsje voor op mijn kamer en de eerste elpee die ik kocht van was Van Morisson, the story of them. Die heb ik nog, ook op mijn mp3 speler.

zondag 27 juni 2010

47. Rode oortjes

Begin jaren '60 of misschien wel eind jaren '50: de West side story. Oh wat een film. Ja, ik zag hem natuurlijk pas veel later maar mijn zussen waren er weg van. Oh die Tony. En dat dansen. En die muziek. En dat zij dan... En dat hij dan...
Zelfs ons moeder vond het mooi en aangestoken door het enthousiasme van mijn zussen en ook omdat het sinterklaas werd besloot zij tot iets wat nog niet eerder vertoond was: ze kocht een boek. (Er werd veel gelezen bij ons thuis maar altijd uit de bubeloteek, zoals ik dat aanvankelijk noemde. Zie hierna.) Het boek van de film. Met foto's uit de film. Zonder het eerst zelf te lezen en dat bleek een vergissing.
Het boekje eenmaal in huis werd verslonden door de meiden, giechelend en opgewonden en verhit fluisterend en met rode oortjes. Zodanig dat ik er zelf ook eens in snuffelde en jawel, hele ruige stukjes tekst aantrof.
Ik meen me te herinneren dat het zo ging: eerst knipte ons mam er een aantal aanstootgevende bladzijden uit, daarna verdween het hele boekje uit huize Sanberg. De moderne tijd: hij klopte aan onze deur maar we deden niet altijd open.

46. Afzien

In de winter bevroor op je slaapkamer het water in de lampetkan (zie hiervoor) - in het hele huis was eigenlijk maar één warmtebron en dat was de grote kolenhaard in de huiskamer. Een glimmend, zwart, gietijzeren geval met mica-plaatjes in het deurtje: als je dat open deed keek je in de vlammen, met samengeknepen ogen tegen de hitte.
Er moesten kolen in en er moest gruis uit en dat ging niet vanzelf.
Naast de kachel stond de kolenkit, daarmee vulde je hem bij. Als de kolenkit leeg was moest iemand kolen gaan scheppen, dat was een gevreesd gebod 's avonds, want dan moest je in de kou in de donkerte naar het schuurtje dat vol spinnen zat die je niet zag (maar zij jou wel!) en dan voorovergebogen in de totale duisternis de kolenkit door de berg kolen in het hok halen. En dan met een volle kit (zwaar!) terug.
Voor de afvoer van sintels en gruis was de asla, onderin. Een zwarte la die je opentrok, maar dan moest je wel eerst 'husselen' of 'russelen': schudden met het rooster zodat de sintels en het gruis door het rooster in de asla vielen. Er was een speciale knop om te husselen. Daarna moest je de asla uit de kachel trekken maar dat hoefden wij als kinderen niet te doen. Te zwaar of te gevaarlijk of wat dan ook.
Gelukkig werd de kolenhaard al snel vervangen door een grote gashaard - van Bocal? Heerlijk, met opnieuw van die mica-deurtjes waar nu gloeiende stenen roosters achter zaten.
De eerste verwarming op onze slaapkamers, voor bij het studeren, waren van die blikken butagaskacheltjes die een eigenaardige lucht verspreiden (oftewel: ze stonken). Later kregen we gevelkacheltjes, die snorden gezellig maar het was wel een gedoe om ze aan te krijgen: je moest met zo'n hendeltje vonken en soms bleef je bezig.

zondag 20 juni 2010

45. 'Fijne keuken'

Uit eten gaan was een andere wereld - en bij elkaar eten ook. Ja, wel natuurlijk een vriendje dat bleef eten of dat je eens bij een vriendje bleef eten als het spelen lang duurde, maar dat was het wel. En ja: natuurlijk bleven later de vriendjes (een ander soort vriendjes) van mijn zussen eten, maar dat was echt later. Zoals dat nu gebeurt, dat je als gezin een bevriend stel te eten vraagt en dat er bijzonder gekookt wordt - een andere wereld. Buiten ons blikveld. Visite kwam op de thee of de koffie, 's morgens, 's middags of 's avonds. Vóór het eten gingen ze weg of ze kwamen na het eten.
Het eten was niet zoals nu, verfijnd van smaak en met speciale ingredienten. Het moest vooral genoeg zijn, dat je je buik vol had na het eten. 'Lekker' speelde veel minder een rol. en dan hadden wij het nog getroffen, want ons mam ging op een cursus 'fijne keuken', samen met Lucia Put. Eén avond in de week, ik denk in de huishoudschool aan de Elzenstraat. En gelachen dat ze hebben! Wij ook, wij kregen allerlei nieuwe gerechten. 'Hemelse modder', een uiterst machtig chocolade-toetje. Als je daar een bakje van op had, had je je buik echt wel vol. En bavarois. En gelatine-pudding. En 'broodje verschikkelijk'.
Maar voor de rest was het aardappels en groente, rijstepap en griesmeelpudding, boterhammen met beleg. Thee en melk. Ranja. En 's zondags snoep van 'ut zultwefke' (zie blog nummer 3). En snuf. Jawel; wij hadden snuf, ook wel zwart-wit geheten. Ik weet niet wat het was, maar het was poeder en je likte het uit een papiertje. Alsof je het op doktersrecept kreeg. En dat papiertje werd dan nat en klef en daar kon je later ook nog aan likken. Brr.

44.Wie komt er op bezoek?

De weecee was buiten, genant om op te schrijven maar het was zoals het was. Feitelijk was het een echte plee, in een aanbouw aan de keuken die uitliep op een soort bijkeuken. In het tussenstuk was dus de weecee. Wel aangesloten op het riool maar geen doorspoeling - dat kon ook niet want dat zou bevriezen in de winter.
Eén van de eerste hygienische maatregelen die ik me herinner was de emmer water die naast de pot stond. Als je klaar was spoelde je daarmee door en dan vulde je hem weer, zodat de volgende een volle emmer aantrof.
Toen we een serre aan het huis lieten bouwen was de plee ineens binnenshuis, dat was in elk geval minder koud in de winter.
Een verhaal van ons moeder over haar jeugd in de Veestraat, zo rond 1925: 'Als er bezoek kwam dan haalden we echt weecee-papier bij de kruidenier op de hoek. Dat hadden we anders nooit. Als je dan afrekende dan vroeg ze nieuwsgierig: Oh, wie komt er op bezoek?'

zondag 13 juni 2010

43. Binnenskamers

De huiskamer aan de Trompstraat was traditioneel ingericht - ja, dat schrijf ik nu wel maar hoe weet ik dat en hoe was dat dan?
Het was zo: in de voorkamer stonden gemakkelijke stoelen, in de achterkamer stond de grote tafel in het midden onder de lamp en dat liet niet veel ruimte meer over. De tafel stond op een bruine kokosmat, die lag op het zeil. Soms was er marsmuziek op de radio en dan marcheerde het hele gezin rond de tafel, pa voorop. Zoals wij dachten dat soldaatjes marcheerden. (Het was eigenlijk maar één kamer, maar toch spraken wij van voor- en achterkamer.)
De radio, dat was geen transistorradio of zo'n groot, duur buizentoestel, maar een klein bakelieten kastje aan de muur in de hoek van de kamer (rechtsachter): radio-distributie. Een soort kabel voordat er kabel was. Met een grote, ratelende knop waar nummers omheen stonden en daar moest je dan de de pijl van de knop op zetten: 1-2-3-4-5-6. Dat waren dus zenders. Hilversum 1, Hilversum 2, verder weet ik het niet. Maar het geluid was kraakhelder. De spanning, elke week vijf minuten, bij de afleveringen van Paulus de Boskabouter. Met de heks Eucalypta.
Maar erg vaak stond de radio niet aan, volgens mij. En hoe het 's avonds was weet ik natuurlijk niet, want ik moest om 7 uur naar bed.

42. Bruin

Met mooi weer en zeker in de eindeloze zomervakanties gingen we zwemmen. Wekenlang elke dag. met een abonnement op het zwembad had je verder niet veel nodig. Je rolde je zwembroek in je handdoek en dat rolletje ging onder je snelbinder. Klaar. (Pas later kwamen die rare badtassen, kokervormig met een rubberen voering en een brede veter door ringetjes aan de bovenkant en de voering die altijd losscheurde).
Hup, naar de Zouavenlaan: Oerlesestraat, Korvelplein, Berkdijk, Ringbaan West oversteken, Burgemeester Van de Mortelplein en dan was je er al: Zouavenlaan. Vóór de ingang een plein met enorme rijen fietsenbeugels. Triomfantelijk door de controle, zwaaiend met je abonnement (voor het kaartjesloket stond een lange rij). Zo'n merkwaardige ijzeren haak pakken en linksaf naar de jongenskleedhokjes (ja, de meisjes gingen ook zwemmen maar daar hadden wij, 8-9-10-11 jaar, niets mee van doen natuurlijk).
Als het een mooie zomer was gingen we elke dag en je werd zo bruin als een neger. Zonnebrandcreme? Dat was meer iets voor Amerikaanse filmsterren.

zondag 6 juni 2010

41. Uit eten?

Ik herinner me nog goed de opwinding die zich van ons hele gezin meester maakte toen mijn oudste zus met het plan kwam om buiten de deur te gaan eten. Samen met haar vriend Frank, in een restaurant. Ik wist niet eens wat een restaurant was! Dat had vast nog nooit iemand van ons gedaan: in een restaurant gaan eten. Dat het een chinees was maakte niks uit geloof ik, het idee zelf was veel vreemder dan dat het een chinees restaurant was.
Ik had er geen beeld bij, ik begreep gewoon niet wat ze bedoelde en wat ik me er bij moest voorstellen. Ergens anders eten kon natuurlijk wel, dat wist ik wel, ik was niet dom! Bij een vriendje of bij familie of zo, dat gebeurde vaak genoeg. Maar bij wildvreemden? Dan moesten die wel erg veel koken, als ze niet alleen zelf aten maar ook nog voor allerlei vreemde mensen. En dat je dan moest betalen, dat was ook gek. En als je naar de wc moest, hoe ging dat dan? Dan moest je helemaal naar huis? Het bleef een raadsel.
(De chinees, dat was natuurlijk tegenover het station, op de Spoorlaan.)

40. Nog eentje voor boven de 18

Peettante jarig. Feest! Hoe zag een familiefeestje er in de jaren '50 uit?
Eten en drinken en roken: op de tafeltjes stonden feestelijke glaasjes met sigaretten (Golden Fiction, Lucky Strike, Peter Stuyvesant). Jenever voor de ooms, bier voor de neven. Bessenjenever voor de tantes, of jenever met een lepeltje suiker. Eerst taartjes en daarna bakjes met zoute pinda's.
Waarom was dat voor boven de 18?
Op dit feestje was ik als klein jongetje aan de verkeerde tafel geplant, tussen en stel verhitte nichten en tantes in, en één van die nichten, met een enorme boezem en een royaal décoletté, had na enkele glaasjes bessenjenever het hoogste woord. Ze vertelde dat ze vorige week op de radio iets had gehoord over borsten verkleinen - en dat leek haar wel wat. 'Dus ik zeg sjaak, sjaak, zeg ik, ik laat een stuk van m'n tieten afhalen. Zegt hij: agge ut mar loat. Dus ik zeg, Waarum nie? Vènde gij dè schon dan? En hij: Doarom hèk oe gevat.'
Mijn peettante Miep, sussend: 'Nou zeg, een beetje rustig kan ook wel. D'r zijn kinderen bij.'
De nicht, nog roder wordend en met haar schommelende boezem op mij gericht: 'Och wè, daor snapt ie toch niks van.'
Ze had gelijk: pas jaren later daagde het mij waar dit intrigerende gesprek over ging.

zaterdag 29 mei 2010

39. Behind enemy lines… (1)

Lees eerst 39, dan 38 dan 37 dan 36.
Zaterdagmiddag, dat betekende: op pad met de verkenners (ja, tot mijn twaalfde was dat natuurlijk op pad met de welpen, maar daar gaat het nu niet over). Ik was? 13 of 14. De pastoor Vromanstroep waren wij, waarom weet ik niet, en ons honk was in de Wassenaarlaan, een aanbouw aan het parochiehuis (in de andere aanbouw zat de bibliotheek). Meestal gingen we op de fiets ergens heen, speelden daar het spel van die dag en fietsten in colonne weer terug, maar om een of andere reden waren we die dag te voet in de Beekse Bergen en gingen we in de loop van de middag te voet weer terug. Niet slim.
De Beekse Bergen was toen nog niet het strandbad dat het nu is, met camping en huisjes en kermis en safaripark, het was gewoon een open duinengebied ten zuidoosten van Tilburg en het was best een eind lopen dus ik snap niet dat we te voet waren.
De kortste weg terug was dwars door de Vogeltjesbuurt en dat was tricky, dat wisten we allemaal maar we waren moe en we hadden gen zin in een omweg dus daar gingen we, zo’n 15 jongens van 12-16 jaar, in slordige verkennersuniformen – wat kon ons gebeuren?
Dat zou snel blijken.

38. Behind enemy lines… (2)

Lees eerst 39, dan 38 dan 37 dan 36.
De Vogeltjesbuurt was berucht. Beruchter dan de Veestraat of de Uitvindersbuurt of de Zeeheldenbuurt waar wij zelf vandaan kwamen. We wisten dus waar het over ging en dat we wat geluk nodig hadden want dat het uitcde hand kon lopen.
Fietsen deden we gedisciplineerd in een colonne, maar lopen ging slordiger: gewoon een langgerekte sliert met openingen en groepjes, die, toch wel aarzelend, een vreemde buurt met een slechte reputatie binnentrok. De jongsten hadden niks in de gaten, aanvankelijk, maar het ging vrij snel mis en het was nog onze eigen schuld ook.
Ergens waren wat jongetjes (jonger en dus kleiner dan wij) aan het voetballen en eentje van ons trapte de bal weg. De kinderen zagen die hele troep verkenners (zo heette dat bij de verkenners: je was de troep) en verdwenen ijlings – voor even. Ze kwamen met méér terug, maar vooral: ze haalden er enkele grote jongens bij. Nondeju. We waren er al voorbij maar we zagen ze komen en ons tempo ging ineens flink omhoog, alleen, we wilden (nog) niet gaan rennen.
De kleine jongens van het voetballen haalden ons het eerst in want zij renden er verbeten op los. De grote jongens liepen niet echt hard maar wel harder dan wij en eentje had een eind hout in zijn handen. We zagen vrouwen uit de ramen hangen en kinderen uit de weg gaan en we formeerden ons bliksemsnel: de kleinsten naar voren, de anderen naar achter, waar het gevaar dreigde. En doorlopen nondeju!