Posts tonen met het label tilburg jaren 50. Alle posts tonen
Posts tonen met het label tilburg jaren 50. Alle posts tonen

zaterdag 14 mei 2011

93. Eerste communie

Ja, je eerste communie, die doe je, als je een vroom jongetje bent van zes. Of van zeven, dat weet ik niet meer. De eerste klas van de lagere school, ik was natuurlijk zes toen ik daarin kwam, maar meteen in oktober werd ik zeven. En wanneer deed je je communie? Hemelvaart? Ja, dus ik was zeven. En het viel behoorlijk tegen.
Wat wel weer leuk was, was dat ik een pak kreeg en dat we dat met z'n drie-en gingen kopen: papa, mama en ik. Gewoon op een doordeweekse dag naar de stad, onze papa had er een vrije middag voor genomen, iets wat ook al nooit gebeurde. Het draaide natuurlijk uit op C&A want de rest van de winkels was te duur, maar toch, het was speciaal en de verkoper deed zijn best. Ik een pak dus, met een korte broek en een strikje, ik denk dat het rood was. En óp naar mijn eerste heilige communie, zoals het officieel heette. Eerst moest er gerepeteerd worden met de hele klas en ook met de eerste klas van de meisjesschool erbij, want het moest wél goed verlopen. Aan dat soort rituelen hechtte de kerk veel waarde: het moest een mooie performance worden dus alles werd strak geregisseerd door de kapelaan-van-dienst: .
hoe we de kerk binnen moesten lopen (langzaam, in een rij, met gevouwen handen), in welke banken we moesten gaan zitten, wanneer we moesten opstaan, door het middenpad naar voren lopen, knielen op de communiebank, ogen sluiten, gezicht omhoog heffen, mond open, tong uitsteken - en daar legde de priester dan de heilige hostie op. Kauwen, doorslikken, opstaan, via het zijpad terug naar je bank en onderweg niemand aankijken, knielen, handen voor je gezicht slaan en zo vijf minuten blijven zitten. Dan was het klaar.
Wat?
Dat bedoelde ik met dat het tegenviel. Op een of andere manier had ik verwacht dat ons een soort verlichting ten deel zou vallen, dat god zich persoonlijk aan ons zou openbaren zodat je wist dat het goed zat, maar niets van dat alles. De officiele communie ging net zoals de repetities: perfect, maar er gebeurde niets. Geen donder geen bliksem geen opengescheurde tempelvoorhang. Anticlimax.
En toen ik vervolgens als misdienaar zes jaar lang achter de schermen van dat amateurtoneel had gekeken, wist ik het zeker: god bestaat niet en dat hele geloof is ergerlijke flauwekul.

zondag 8 mei 2011

92. De Melk-brigade!

Er was koffie (voor de volwassenen) en thee (met melk en suiker. En er was alleen maar: thee. Van Douwe Egberts, neem ik aan, maar thee was thee. Geen smaakjes, dat is allemaal nieuwerwetse onzin.)En er was ranja. En priklimonade van exota 9grote flessen met beugeldoppen), één van de smaken was champagnepils, een soort cola. Sinas en andere frisdranken kwamen pas later en waren toen sowieso te duur voor ons. Maar vooral was er natuurlijk melk.
Van de melkboer, waar ik hier al het nodige over geschreven heb. En de consumptie van melk werd gestimuleerd door onze regering of zelfs, meen ik mij te herinneren, door de koningin zelf (beschermvrouwe?). De Melk-brigade!
De overheid wilde een gezond volk en ging daartoe het drinken van melk aanmoedigen door een heuse marketingcampagne, ergens in de jaren 50: de melk-brigade. Wij werden allemaal melkbrigadiers! Er was een vignet, een logo moet ik zeggen: een grote, witte 'M', kapitaal, ik denk lettertype arial. En die stond op een blauw veld. Daar waren plakplaatjes van, stijve plaatjes die slecht plakten. Als melkbrigadier werd je geacht om elke dag minstens één grote beker koude melk te drinken, dat was alles. Daar werd je een echte kerel van, of een flinke meid, dat kon ook.
In de loop van de jaren zestig is de melkbrigade een roemloze dood gestorven, maar gedurende enkele jaren was het 'hot'.

zaterdag 5 februari 2011

80. Een geniale hopman?

Op mijn twaalfde ging ik bij de verkenners, een vormende wijkactiviteit waar ik niet min over wil doen of denigrerend. Wat ik bij de verkenners geleerd heb, daar heb ik veel aan gehad. Doorzetten!
Ons honk was aangebouwd aan het patronaatsgebouw (in de andere vleugel zat een filiaal van de bibliotheek), dus zo ongeveer naast ons thuis. De verkennerij was sterk hierarchisch: de leider was de hopman die geassisteerd werd door enkele vaandrigs. Onder die algemene leiding kwamen de troepen: aangevoerd door patrouilleleiders en assistent-patrouilleleiders waren dat zo'n veertig gewone verkenners. Vier patrouilles waren er.
Je begon als adspirant, je moest ontgroend worden (tijdens het zomerkamp) om gewoon verkenner te worden. Was je eenmaal ontgroend, dan kon je opklimmen in de hierarchie door allerlei proeven af te leggen. Daar keeg je dan insignes voor. Seinen met vlaggen, knopen leggen, sjorren (ja, dat was dus constructies bouwen met palen en touwen), ehbo, tumbelen (een vorm van turnen), morse-seinen, sterrebeelden herkennen aan de hemel, de hoogte van een toren berekenen met behulp van een stok van 1 meter: you name it en er was wel een examen voor.
Ik was natuurlijk ijverig en haalde het ene insigne na het andere.
Toen ging de hopman weg, dat vonden we allemaal jammer want het was een charismatische man, hij leek wat op Charlton Heston. Ook zo groot. En hij trouwde met, hoe kan het anders, de akela.
Maar goed, er moest een nieuwe hopman komen en die werd na enig zoeken gevonden. Meneer Sparidans wilde het wel doen. Ik kende hem vaag, de vader van een vriendje uit de buys ballotstraat (?). Mijn achting voor hem steeg tot ongekende hoogte, want al na twee weken kwam hij in volledig uniform - had hij dus al die examens en proeven in twee weken tijd afgelegd - meende ik in mijn naiviteit.
Dat je zo'n uniform gewoon aanschafte (in de scoutingwinkel aan het Wilhelminapark), dat hij dus blijkbaar twee weken had moeten wachten tot het klaar was en dat hij helemaal geen examens had afgelegd omdat iedereen al lang blij was dat ze iemand gevonden hadden om dat baantje te doen, daar voorzag mijn wereldbeeld niet in.

zaterdag 29 januari 2011

79. Lang zal ie leven, lang zal ie leven...

Ja, mijn examenfeest was dikke pret, zie vorige aflevering, maar de verjaardagsfeestjes thuis in onze vroege kinderjaren waren ook leuk want ons moeder deed echt haar best en wij vierden dus, en dat was in die tijd een uitzondering, echte kinderfeestjes. Dat je vier of vijf vriendjes vroeg en dat er ook wat neefjes en nichtjes kwamen en dat je samen spelletjes deed, onder leiding van ons mam.
Eerst was het natuurlijk ontvangst en feliciteren (ik herinner me geen cadeautjes van vriendjes, dat was niet de gewoonte denk ik) en 'Lang zal ie leven' zingen en taart eten en limonade drinken (Exota, priklimonade met beugeldoppen uit Dongen) - en dan de spelletjes. Ik herinner me de sleuteldans. We gingen dan met z'n allen aan de tafel zitten, die was gedekt met een feesttafelkleed: hagelwit en met lang overhangende randen. Er was een seterk touw voor nodig dat door het oog van een sleutel werd gehaald. Met twee knopen in het touw werd de sleutel op een bepaalde plaats gefixeerd en het touw werd in een cirkel geknoopt die net om de tafelpoten paste maar dus onder de overstekende rand van de tafel bleef, verborgen onder het tafelkleed (veel woorden nodig om iets simpels uit te leggen). Iedereen pakte met twee handen het touw vast en we begonnen te zingen (deed er niet toe wat) en tegelijkertijd 'gaven we het touw door' naar rechts, door steeds met je handen naar links te pakken, eerst met je linkerhand tegen de rechterhand van je buurman aan, dan met je rechterhand tegen je linkerhand aan. Of nét niet er tegenaan: als je de sleutel had. Als ons moeder 'stop' zei, stopten we en werd onder luid gejoel het touw boven de tafel gehouden door allemaal tegelijk. Wie dan de sleutel tussen zijn handen had was af. Hilarisch.

Ps Ik vraag me af of iemand die het spel niet kent, zich een juist beeld kan vormen op basis van mijn beschrijving.

zaterdag 16 oktober 2010

66. Jan en Piet: in de naam van de vader....

Jan en Piet, twee oerhollandse jongens, onverschrokken wereldreizigers en koene avonturiers. Wie boekstaafde voor ons, derdeklassers, hun bloedstollende avonturen? Wie stuurde ons elke dag opnieuw om twaalf uur precies met een cliffhanger de straat op? Wie gooide elke dag weer bij het aanbreken van de middagpauze waarin je naar huis mocht en vervolgens ook weer terug moest naar de school van meester Van Ham, een huiveringwekkende kippevelwending het doodstille klaslokaal in?
Meneer Reese. Jawel, die van het onbarmhartige slaag (zie hiervoor).
Elke dag opnieuw gaf hij zo tegen twaalf uur, zeg vijf of tien minuten ervoor, het commando waar wij al uren op zaten te wachten: Opruimen!
De laatste jongen die nog voor straf naast zijn bank stond kreeg een oplawaai en vervolgens zaten alle jongens ongeduldig rechtop in hun lessenaar. Vertel, meester, vertel! Van Jan en Piet!
En dat deed hij. En wij hingen aan zijn lippen.
Hij begon precies waar hij de vorige dag was opgehouden, hij pakte die cliffhanger feilloos beet en liet Jan en Piet in de ene na de andere hinderlaag lopen - waar ze toch elke keer weer heelhuids uitkwamen dankzij hun hollandse slimmigheid en ingenieuze uitrusting. Diepzeemonsters, onderaardse kerkers, donkere grotten vol spinnenwebben, onpeilbare kloven, draken, vleermuizen, duizelingwekkende hoogten. onweer, octopussen met messcherpe tanden in hun muil, zeerovers, vergane schepen, wankele vlotten, krakende bruggen, leugenachtige herbergiers, dronken wildemannen: heel Indiana Jones kwam langs. En elke sessie eindigde precies hetzelfde. Net op het moment dat Jan en Piet weliswaar ontsnapt waren aan een bloeddorstige tijger maar daarvoor in een diepe kloof waren gedoken en nu uit lagen te hijgen en naar het plafond lagen te kijken van de geheimzinnige ruimte waarin ze terecht waren gekomen, merkte Jan ineens op dat er toch wel erg gemene, scherpe punten uit het plafond staken en toen zag Piet dat dat plafond langzaam maar zeker, centimeter voor centimeter, naar beneden kwam..en ze konden er niet uit... In de naam van de vader, de zoon en de heilige geest amen.
Want de ochtend eindigde met gebed en dat zette hij consequent op zo'n moment in. De hele klas knipperde met z'n ogen, zuchtte, maakte dromerig het verplichte kruisteken en bad netjes het weesgegroet mee, en ook nog een onze vader. Amen.

zondag 3 oktober 2010

65. 'Van jou hoef ik geen reep.'

De onderwijzers waren ook niet altijd even subtiel. Die in de derde sloeg erop los (zie hiervoor, ergens), maar vergeleken bij meester Kokke in de vijfde, was dat eigenlijk zo gek nog niet. Klappen, dat begrepen we.
Kokke was streng en gaf lage punten ('Een tien is voor god en een negen is voor mij', dus hoger dan een acht kreeg je sowieso niet - wat een hele schok was voor mij, gewend als ik was aan negens en tienen.), maar bovenal was hij hard en gemeen. Als je jarig was tracteerde je, geloof ik (ik herinner me dat niet echt heel duidelijk). Een snoepje voor alle kinderen en een reep (kwatta, mars, mekka, whatever) voor de meester. Dat was natuurlijk een heel ritueel, elke keer opnieuw. Met een zakje snoep alle rijen af en dan tenslotte met een reep in je hand naar voren, naar de lessenaar van Kokke.
Iets moeten we vermoed hebben, want toen Ton Horvers naar voren liep met de chocoladereep-met-nootjes, hield de hele klas (zuigend op de zuurtjes) hem in de gaten en hij ging met loodzware tred en Kokke deed het ongehoorde waar we op een of andere manier allemaal op zaten te wachten. Met de woorden 'Van jou hoef ik geen reep, doe jij eerst maar eens wat beter je best', weigerde hij de tractatie en Ton kon als een geslagen hond terug naar zijn plaats. Het was doodstil in het lokaal - maar dat was het meestal, bij Kokke.

64. Etre en avoir.

Het was natuurlijk een soortement gajusschool, daar aan de Trouwlaan, waar ook af en toe de politie kwam als er weer eens een jongen zijn zakmes gebruikt had bij een vechtpartij, maar er zaten ook veelbelovende jongens op, die 'goed konden leren', zoals de formule luidde. Die jongens werden in de zesde klas enkele uren per week bij elkaar gezet en dan kregen ze Franse les, van meester Van Dijk.
Dat was een rare zaak en ik begreep er niets van. Ik kon het natuurlijk wel leren, wat hij ons voorschotelde (je, tu, il, nous, vous, ils. Le garcon, La fille. La maison.) maar het drong niet tot me door waar het over ging. Dat het een andere taal was, dat ergens op de wereld mensen hiermee opgroeiden en als vanzelf deze woorden gingen gebruiken, dat kwam niet echt binnen. Maar ja, ik kon 'goed leren' dus ik leerde al die rijtjes gewoon van buiten, zonder te wten wat het was.
Op de HBS, in de uren Frans, duurde het nog enkele weken vóór ik het verband legde tussen de taal die Dhr Reijnen ons trachtte te leren en de lessen van meester Van Dijk - dat die over hetzelfde gingen.

zaterdag 25 september 2010

63, De bakkersvrouw en de nachtmis..

Kerstmis is hoogtijdag voor de bakkersbranche, ook toen al, ook voor bakker Burgers dus, op de hoek van de Nieuwstraat. Veel ingekocht, veel omgezet tot op kerstavond, veel contant geld in huis. In die jaren was er eigenlijk alleen maar contant geld, volgens mij (Ja, en bij ons thuis was er altijd te weinig contant geld).
Goed, kerstavond. Tevreden bakkerijbevolking want goede zaken gedaan, nu moest alles nog worden opgeruimd en schoongepoetst en dat allemaal nog vóór de hele bubs naar de nachtmis gaat. Niet alleen het bakkersgezin, ook het gezin van de meesterknecht komt naar de zaak want papa moet tot het laatst meehelpen en dan gaan ze samen met het bakkersgezin naar de nachtmis. Het uur van vertrek nadert, iedereen heeft zijn zondagse goed aan en een dikke jas eroverheen en ze doen nog wat laatste, kleine klusjes.
Kom vrouw we moeten gaan.
Ja, even nog.
Kom nou, je treuzelt.
Nee, deze rekeningen nog inschrijven. Weet je wat, gaan jullie maar vast, ik kom zo.
Maar de knecht is ook nog bezig, achter.
Nou, mooi toch, dan komen wij samen jullie wel achterna.
En zo geschiedde in die dagen. Keurig opgedoft togen ze naar de nachtsmis in de kerk van de Trouwlaan, het bakkersgezin zonder vrouw en het knechtengezin zonder man. En er tussenuit knepen ze, de bakkersvrouw en de meesterknecht - met medeneming van de hele kerstopbrengst.
De parochie gonsde van de geruchten.

62. Gebakken schol.

Ach roomskatholieke jeugd. Vrijdag was vasten- en onthoudingsdag en die onthouding kon me gestolen worden want ik had er geen idee van wat daarmee bedoeld werd, maar dat vasten. 'Vasten' betekende 'geen vlees'.
Geen vlees, en ook dat maakte me eigenljk niet zoveel uit, zij het dat 'geen vlees' bij ons en bij iedereen in Tilburg betekende: vis. En vis betekende bij ons en bij iedereen in Tilburg: gebakken schol. Met botersaus. En gekookte aardappelen. En worteltjes.
Oh, erger kon het niet. Van die vieze, platte vissen vol graat, en dan die wat klonterige botersaus over je aardappelen en daar dan die worteltjes naast, weeig en weerzinwekkend en iets te lang gekookt tot bijna pap. De hel. Een puike reden om je geloof op te geven, in elk geval. Nooit meer vasten, nooit meer onthouding. En vooral: nooit meer gebakken schol.

zaterdag 18 september 2010

61. De feauteuil.

Ja, de t.v. was natuulijk ook zo'n aanschaf die een overgang markeerde: nog geen t.v. - wel t.v. (en iedereen kent die verhalen wel van het eerste toestel in de straat en dat dan alle kinderen uit de straat op woensdagmiddag in de voortuin naar binnen zaten te kijken naar het kinderuurtje. Bij ons in de straat had Swaanen de eerste t.v. en inderdaad, wij zaten op woensdagmiddag op het muurtje van hun voortuin.), maar eerlijk gezegd maakte de komst van de feauteuil (ik kan het niet ingewikkeld genoeg schrijven) meer indruk op mij. Dat was ook veel eerder en ik kan me weinig of niets herinneren van wat er eerst in de voorkamer stond, maar feit was dat we op een gegeven moment een feauteuil aanschaften. werd met veel bombarie aangekondigd dus ik was benieuwd en ik moet bekennen dat het een beetje tegenviel. Het was een rank stoeltje met glanzend houten armleuningen en pootjes. Rug en zitting waren bekleed met een leverkleurige, harige stof, waar in dezelfde kleur een patroon in was geweven. Onaangenaam aan je blote benen (korte broek), zonder meer. En ja, we moesten er natuurljk zuinig op zijn. Dat gezeur altijd, daar kreeg ik op d'n duur zo genoeg. Je moest altijd overal zuinig op zijn. Beh

60. De wasmachine.

De was was veel werk, elke maandag. Er stond een soort kuip-met-rotor in de schuur en er was een grote, koperen ketel en een primitief gasstel waar die op kon, om de was te koken. Ik had er als jongen geen sjoege van wat dat allemaal was en waar dat allemaal voor nodig was, maar iedereen ervoer wel dat de was als een soort doem over de maandag hing. Maandag wasdag. Alle huisvrouwen (er waren geen andere vrouwen, eigenlijk) in Tilburg deden maandag de was en dus kwam er op het eind van de ochtend roestwater uit de kraan, wilde de legende. Er was dan zoveel water verbruikt dat het helemaal van onderop moest komen en dan kwam er roest mee.
Wasmachine?
Jawel, er zou een wasmachine komen, begin jaren 60. daartoe werd een raadsman in de arm genomen, een bevriende loodgieter met een makkelijke, dominante babbel. Hij kon gewoon een hele avond vertellen, dat wij allemaal zaten te luisteren. Wat wist hij veel, dacht ik vol ontzag. Hoe de wereld in elkaar zat!
wat betreft de moderne wasmachines (die hij leverde en installeerde en repareerde en onderhield) ging zijn verhaal zo (in plat Tilburgs uiteraard maar ik vertaal het even): Laatst heb ik er eentje geleverd een eindje verderop, bij Van Gurp. Dus ik kom die man een paar weken later tegen en ik vraag: En, bevalt 't?
Nou Jan, hoe zal ik 't zeggen (hoezakkutzegge), de vrouw is er wel blij mee want nu hoeft ze al dat zware werk niet zelf te doen, maar ze is nog steeds de hele maandag bezig met de was. Dus ik zeg, Verrek, hoe kan dat nou?
En dan blijkt dat die vrouw 's morgens vroeg de was in het machine doet en dan gaat zitten wachten tot het klaar is. Ja! Dat duurt een paar uur. En ze heeft niet in de gaten dat ze ondertussen iets anders kan gaan doen, want ze is met de was bezig. Dus ik zeg, sjaak, zeg ik, die vrouw van jou....

zaterdag 11 september 2010

59. Ëén maal één is één.

Ha. Lager onderwijs aan de school van de Trouwlaan. Geen gemakkelijke klus voor de onderwijzers en niet altijd leuk voor ons, maar er waren ook knusse momenten, dat het allemaal vanzelf ging.
Hoofdrekenen. Niet: sommen maken, maar: de tafels van één tot en met tien van buiten leren. Door ze klassikaal op te dreunen. Dat gaf een mooi, resonerend gevoel in je buik, als we eenmaal de maat te pakken hadden en de hele klas in hetzelfde ritme meedreunde. Doen ze dat nog, nowadays? Met z'n dertigen tegelijk?
Eén maal één is één.
Twee maal één is twee.
Drie maal ......
en zo verder tot we bij tien maal tien waren. Honderd! Klaar!
En zingen met de hele klas was ook leuk. De meester op de blokfluit. Vooral meester van Dijk was muzikaal, maar ik kan me geen liedjes herinneren. Wel dat ik een keer alle sommen fout had, echt 100%. Dat was toen ik 's middags terug op school was nadat in de voormiddag iemand me was komen halen omdat onze pa in het ziekenhuis lag. Hartaanval.

58. Roomsche doelgroepen

Toen de beminde gelovigen niet meer uit zichzelf naar de kerk kwamen, gewoon omdat het moest of omdat het zo hoorde, begonnen de in de steek gelaten herders dingen te verzinnen om de kijkcijfers op te krikken. Het meest drastisch was natuurlijk dat ze het Latijn vaarwel zeiden en het altaar 180 graden draaiden zodat de priester voortaan met zijn gezciht naar het publiek stond, maar er waren ook subtielere pogingen om de kerkgang er in te houden.
Zo aanvaardden ze dat je niet meer elke dag de heilgie mis bijwoonde (ja, of je moest misdienaar zijn, of priester) en gingen denken in doelgroepen. Er kweam eenmaal in de week een gezinsmis. En een jeugdmis, gelukkig niet mer beatmuziek, maar toch.
Het mocht allemaal niet baten, natuurlijk en gelukkig. Dat hele rijke, roomsche leven bleek hol, niet gebaseerd op innerlijke overtuiging en persoonlijk geloof, maar op uiterlijkheden, rituelen en gedeelde gewoontes, en het verkruimelde roemloos op de maten van de modernisering.
Wat er van overbleef? Een kerk vol oude mensen, soon to die.

Genoeg over het geloof want volgens mij leest niemand dat.

zaterdag 4 september 2010

57: Rare dingen

Zijn er nooit rare dingen gebeurd tijdens een heilige mis? Ja, alsof zo’n mis zelf al niet raar genoeg was. Enfin, in mijn eersete jaren ging het er allemaal nog heel ouderwets aan toe. De priester las de mis uit een enorme bijbel die op een forse houten standaard lag opengeslagen, op het altaar. Hij deed dat met zijn rug naar de beminde gelovigen, die zagen alleen de achterkant van zijn kazuifel.
Ergens tussen de lezing van het epistel (oude testament? brieven van de apostelen?) en het evangelie (nieuwe testament) moest dat hele geval (bijbel + standaard) van de rechterkant van het altaar worden verplaatst naar de linkerkant. Waarom? Dat deed er niet toe, het was gewoon zo, het ritueel.
Dat verplaatsen deed de priester niet zelf, daar was de misdienaar voor. Dus je kwam overeind van je knielkussen aan de zijkant van het priesterkoor, ging de drie treden op naar het altaar toe, pakte het houten geval stevig beet, ging aan de zijkant die drie treden weer af, liep om het altaar heen (in het midden moest je stoppen, knielen en weer verder gaan), aan de andere kant ging je de drie treden weer op en sjouwde je het geval op het altaar. De eerste of de tweede keer dat ik dat moest doen voelde ik me er niet tegen opgewassen, ik zag mezelf al ruggelings met bijbel en standaard en al van de trap af flikkeren – zoals ook weleens gebeurd was, zij het niet met mij. Dat fluisterde ik dus tegen de priester, met hoogrode wangen en kloppend hart. Ik was er van overtuigd dat god zelf dit hoorde en zag, op datzelfde moment, en dat mijn onsterfelijke ziel ernstig gevaar liep.
Zonder op of om te kijken pakte de priester de standaard en zette hem hup aan de linkerkant van het altaar. Fluitje van een cent. Kraaide geen haan naar en ook god bliksemde of donderde niet door deze inbreuk op het ritueel. Ik haalde opgelucht adem.

56: Niet voor niets.

Het was natuurlijk allemaal niet voor niets, deze voorstellingen in de kerk van de Trouwlaan, niet gratis dus. De pastoor en zijn kapelaans moesten tenslotte ook eten. Dat begrafenissen en huwelijksmissen geld kostten, dat ging volledig aan mij voorbij. Maar in gewone missen werd gecollecteerd en op zondag werd ook plaatsengeld opgehaald. Dat leidde tot een scheiding der geesten (of eigenlijk: een scheiding der lichamen). De collecte, die was vrijwillig. Je kon gewoon je hoofd afwenden als de collectant zijn collectezak (een rode, fluwelen zak met een kwastje en een koperen rand aan een lange stok) voor je neus hield. Maar plaatsengeld was verplicht. Dat stond ook vast, er waren vaste tarieven en als je te veel gaf kreeg je wisselgeld terug. Hoe gering de bedragen ook waren (fl 0,05), er waren nogal wat parochianen die de kerk geen cent gunden en dus niet in de banken gingen zitten (want dan moest je betalen) maar die achter in de kerk bleven staan. Staan kostte niets! In onze ogen waren dat schooiers, maar de echte vraag is natuurlijk waarom ze überhaupt nog naar de kerk kwamen.

zaterdag 28 augustus 2010

55. Na het natgooien de kerk uit.

Het mooie van het dienen van een begrafenismis was vooral, dat je na het uitroken ('bewieroken') en natgooien ('zegenen') van de kist, de kerk uit ging, in vol ornaat en onder de klanken van 'In paradiso'. De kist had de hele dienst vooraan in de kerk gestaan, in de gang vlakbij het priesterkoor. Daar hadden we hem ten slotte bewierookt en gezegend. Dat achter de rug kwamen de kraaien in het geweer: oude mannen in jacquet die aan weerszijden van de baar gingen staan en die de kerk uit begonnen te duwen, achter ons aan. Tussen de banken door naar de grote kerkpoort, die bij deze gelegenheid openzwaaide - en daar gingen we, het felle licht van de werkdag in.
Voorop de priester in kazuifel met in zijn handen een kruis op een hoge stok, daar achter de misdienaars in hun togen en superplies, dan de kist, gedragen of geduwd door de kraaien, dan de weduwe, gebogen, klagend, huilend, ondersteund door een familielid, dan de rest van de familie, dan vrienden en bekenden. Een hele optocht. Eerst de Pastoor Vromansstraat door (links de friettent), Trouwlaan oversteken, over het pleintje (rechts fietsenmaker Bissele, links drankenhandel Van Eijck), Christiaan Huygensstraat in. Via het Laurens Kosterplein (rechts visboer Van Laarhoven, links een sigarettenzaak) de Oerlesestraat in. Die liepen we uit tot het Korvelplein (rechts kaardenfabriek Diepen). Achter de Korvelse kerk was het kerkhof. Zijn laatste rustplaats!
(Geen idee hoe we het deden als het hard regende.)

54. Het mooie van begrafenissen

Een gewone, doordeweekse mis duurde een half uur, soms wat korter als pater Victorianus hem deed want die was oud en raffelde de gebeden af (en hij wilde altijd alle wijn uit het kannetje in zijn kelk, en helemaal geen water erbij - zodoende dronk hij het bloed van christus onverdund). Een zondagsmis duurde langer, want: de preek. En: er waren meer mensen die ter communie gingen. Ongeveer drie kwartier.
En dan had je natuurlijk bruiloften en begrafenissen. Vooral begrafenissen waren leuk: gewoon onder schooltijd, dat alleen al. Dat waren bruiloften ook (gewoon onder schooltijd), maar die vond ik wat vager, als gebeurtenis. Een begrafenis was lekker duidelijk: hij was dood en nu ging hij onder de grond. En aan het einde van de dienst gebeurde er dan van alles waar je als misdienaar een belangrijke rol in speelde: het wierookvat dat je al vóór de mis moest prepareren en dat dan de hele mis hing te dampen. Op het gloeiende kooltje moest je op het laatst korrels strooien en dan deed je met veel geratel (ijzeren ketting door ijzeren oog) het deksel op het vat en zo gaf je het aan de priester: gesloten, walmend door het opengewerkte deksel. De priester liep er drie keer mee om de kist heen, zwaaiend, walmend, prevelend.
Dan kwam het wijwater. Daarbij was pater Victorianus mijn favoriet, want terwijl de andere paters met de kwast soms maar nauwelijks het water raakten en het allemaal wel erg symbolisch werd, dat gesprenkel, duwde Victorianus de kwast resoluut tot aan het heft in de emmer en spetterde er al zegenend lustig op los. Nat moest die kist! Waar voor je geld!

maandag 23 augustus 2010

53. Confiteor.

De priester had meer werk met aankleden en het kwam ook preciezer, hij moest er allerlei gebeden bij zeggen en bezweringen mompelen en kruizen slaan enzo. Het ging ook volgens een voorgeschreven volorde, daar viel niet aan te tornen (Ja, als misdienaar kon je natuurlijk ook niet eerst je superplie aantrekken en daarna je toog, maar dat was praktisch. Bij de priester was het ritueel.) Zo was er bijvoorbeeld een kledingstuk dat hij moest kussen vóór hij het om zijn nek sloeg. Een stola was dat, een soort sjaal zeg maar, maar dan heilig.
Het eindigde natuurlijk met het kazuifel, dat hing terzijde over een houten standaard (Zeg niet 'kapstok', dat is niet eerbiedig.) De andere kledingstukken (verkleedspullen) lagen precies in de goede volgorde uitgespreid over een hoge tafel. Het was het werk van de koster om te zorgen dat alles daar klaar lag, opengevouwen, zodat de priester niet afgeleid werd uit zijn plechtige state of mind door al te praktische details.
Priester klaar? Ja Heer! Hij monsterde de wachtende misdienaars met strenge blik, trok soms nog wat aan een scheefzittende superplie, en gaf vervolgens het teken: vooruit met de geit. In optocht marcheerden we de sacristie uit, het priesterkoor op: misdienaar 1, misdienaar 2, priester in vol ornaat. Bij het betreden van het priesterkoor gaf misdienaar 1 een flinke ruk aan het koord van de bel die daar hing - BENG - en daarmee was de Heilige Mis begonnen. Het eerste gebed was het Confiteor! Confiteor Deo omnipotenti...etc etc.

52. En wij zagen hem....

Misdienen was leuk om te doen, maar toch was het raar, achteraf: die metafysische enclave middenin het dagelijks leven. Ach, dat was ook de kracht natuurlijk, het hoorde er gewoon bij, er werden geen vragen over gesteld.
Als misdienaar ging je een kwartier vóór de mis begon de sacristie binnen, de kleedkamer van de priester zeg maar. Daar was een bijvertrek waar de togen en de superplies voor de misdienaars hingen. Jas uit, toog aan over je kleren. Een lange, zwarte effen jurk was dat, tot op je schoenen, met een opstaand boordje. Bij plechtige missen met veel misdienaars was het altijd vechten om de gangbare maten. Als je een te lange toog kreeg, moest er een broekriem omheen om te voorkomen dat je erover struikelde. Te kort, ja, daar was niets aan te doen, dan liep je gewoon voor schut.
Over de zwarte toog ging een witte superplie met een wijde hals en wijde mouwen en veel kantwerk aan de manchetten. Die superplies, dat waren wel mooie dingen.
Met die superplie aan was je klaar en kon je het aankleden van de priester bekijken. Die had meer en plechtiger werk. In dat bijvertrek waar je moest wachten was ook het 'heilig putje': een kleine wastafel met kraan die niet afwaterde in het riool, want daar waste de priester zijn handen na de Heilige Mis, en alle hostiekruimels die nog aan zijn vingers kleefden gingen dus door die afvoer. Ik weet niet hoe de loodgieters dat indertijd oplosten.

donderdag 29 juli 2010

51. God zag ons...

God zag ons, natuurlijk. All the time. Ik herinner me afbeeldingen van een driehoek met daarin een oog, die precies dat wilde zeggen: god ziet je, altijd.
Het boze oog, denk je achteraf.
Zo rond mijn twaalfde, dertiende, heb ik afscheid genomen van die hele santekraam. Het kwam me opeens zo onwaarschijnlijk voor, dat gedoe. Een man met een baard in een bizar kostuum die met zijn rug naar een volle zaal (toen nog wel) onverstaanbare formules en beweringen mompelt en vreemde gebaren maakt en dan brood uitdeelt dat het lichaam en bloed van christus is. (Is. Niet: symboliseert. Er zijn er wel voor mindere ketterij op de brandstapel beland.) En iedereen knikt. Amen. Hoe dom kun je zijn?
(En Yoeri Gagarin, de eerste astronaut die terugkwamen zei ik heb god nergens gezien, dat vond ik ook wel een sterke.)
Maar misdienaar van mijn zesde tot mijn twaalfde, dat was leuk. Vooral de latijnse gebeden, dat je die van buiten leerde en dan werd overhoord door de kapelaan tot het feilloos was (maar nog steeds niets betekende), je voelde je toch speciaal, ingewijd. Het credo in het latijn, ik kan het nog steeds opdreunen, feilloos. Kapelaan Wilbert zou trots op me zijn.