Posts tonen met het label trouwlaan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label trouwlaan. Alle posts tonen

zaterdag 11 juni 2011

97. Friet met klappen.

Als je door de Trouwlaan fietst, van het St Anneplein naar de Oerlesestraat, dan kruis je eerst de Nieuwstraat en daarna krijg je links de Pastoor Vromansstraat. Je kijkt dan recht op de kerk van de Trouwlaan(Gerardus Majella). Aan de rechterkant van de Pastoor Vromansstraat (ik zeg dit zo nadrukkelijk omdat er later eentje kwam precies ertegenover, dus aan de linkerkant) was de eerste friettent die wij kenden (dus nog vóór D'n Buik zijn bakkerij ombouwde tot frietsalon, aan de Nieuwstraat).
Friet mét kostte toen een kwartje maar daar ga ik verder niet over zeuren, het gaat er om dat ik daar leerde dat slimheid niet altijd betekende dat je geen klappen kreeg.
Wij hadden zelden of nooit geld om friet te kopen, maar op een zondagmiddag had ik dat wel, ik weet niet meer hoe dat zat. Dus met een paar (brave) vriendjes naar Van de Pas. Een jaar of 8, 9 waren we. Bij Van de Pas stond een tafelvoetbalspel in de zaak, de stangen hadden aan de ene kant rubberen handvatten, aan de andere kant waren het gewoon stalen stangen.
Wij speelden niet maar ik stond tussen de vensterbank en het voetbalspel, een beetje krap. Toen kwam er een jongen binnen uit de schooiersbuurt, een beetje ouder dan wij. We kenden hem wel en we waren een beetje bang van hem. Terecht, bleek. Hij keek ons vals aan en ik controleerde tersluiks of de stang die het verst kon uitschuiven (die van de keeper) ook in de uiterste stand mijn borst niet kon raken. Dat kon niet.
De jongen deed een of andere bestelling, liep naar de andere kant van het voetbalspel, keek me vuil aan en duwde de stang van de keeper zo hard mogelijk naar mij toe. Tja, dat haalde dus verder niets uit en ik grijnsde naar hem. Dat had ik beter niet kunnen doen. Hij wachtte ons buiten op en toen kreeg ik me toch een pak slaag.

zaterdag 2 april 2011

88. Vozen

Vozen, ja, dat deden we natuurlijk ook. Met de meiden uit de buurt. Ik zal me inhouden want er lezen natuurlijk ook nette mensen mee met dit blog (en geef het maar toe: u bent best een net mens, toch? Als iedereen kijkt), maar ik herinner me Carolien Wagens*, daar 'ging' ik mee toen ik een jaar of dertien, veertien was. Net tijdens carnaval.
Ik weet niet meer hoe officieel het was, dat 'gaan', en of het langer dan die carnaval geduurd heeft, want Carolien was duidelijk out of my league. Hoe zeg je dat? Ik reikte enigszins boven mijn macht, met haar. Ze was ook ouder dan ik.
However, ik was nog bij de verkenners toen (ook geen punt in mijn voordeel, denk je achteraf), en op zaterdagmiddag hadden we gewoon activiteit gehad (met de verkenners, niet met Carolien, haha). Om een of andere reden (hopman moest op tijd thuis zijn en wij woonden zo ongeveer naast het honk, zoiets was het), moest ik afsluiten en dus nam ik de sleutel van het honk mee naar huis. Zodoende had ik de hele carnaval de beschikking over de sleutel van die ruimte en toen we op maandagmiddag met een groepje terugkwamen uit Den Bosch (de optocht daar), gingen we dus met een stel jongens en meiden het honk binnen. Met kloppend hart: machtig spannend was dat want we konden natuurlijk betrapt worden. Carolien en ik lagen op de turnmatten achterin de hoek ('tumbelen' noemden we dat bij de verkenners, turnen), met al onze kleren aan en carnavalsoutfit daar overheen en ook nog een jas denk ik want het was een koude carnaval - en in tegnstelling tot wat je wellicht denkt kwam me dat prima uit, al die textiel, want ik was eigenlijk een beetje bang van Carolien. Ze had hartstikke grote borsten (de grootste van de buurt, met gemak) en ik durfde niet goed tegen haar aan te gaan staan of liggen want ik was bang dat ddt zeer zou doen, bij haar dan, met die enorme boezem. Ik had ook niet echt een beeld wat daar nou onder zat, onder al die kleren. Ze boezemde me ontzag in, Carolien!
Veel stelde het dus nog niet voor, dat vozen, maar spannend was het wel.

* naam veranderd want misschien leest ze dit ook. Carolien, als je dit leest: je bent het niet!

zaterdag 26 februari 2011

83. De bieb

Het parochiehuis had twee vleugels. De linker was het honk van de verkenners (de welpen zaten daar op zolder), in de rechter zat een filiaal van de bibliotheek. Bij wijze van ontwikkelingshulp denkelijk, een soort beschavingsoffensief. Ik las me suf en dat ben ik mijn hele leven blijven doen, maar ik herinner me niet veel boeken uit die tijd. Alle Arendsogen natuurlijk, eerst van de vader daarna van de zoon. De Vijf. Pocomoto. Wat later kwam Karl May (ik weet nog steeds niet of je dat nu uitspreekt als 'mai' of als 'mee').
Het filiaal Trouwlaan zoals het officieel heette (ik wist natuurlijk niet dat het een filiaal was, voor mij was het gewoon 'de bieb') was alleen open op woensdag- en op zaterdagmiddag. Veel te weinig om mijn leeshonger te stillen. Een roman en één studieboek mocht je meenemen, als ik het mij goed herinner, en als ik mijn eigen boeken uit had dan begon ik aan die van mijn zussen. Meisjesboeken! Schitterend! 'Pitty het kostschoolmeisje', daar was een hele serie van en die verslond ik stiekem, want het mocht natuurlijk niet, meisjesboeken. Ik was tenslotte een jongen en die scheiding was er niet voor niets! In de bieb zelf werd dat ook streng bewaakt: de kasten met meisjesboeken stonden ver van de kasten met jongensboeken. Je kunt het je nu niet meer voorstellen maar de bieb-juffrouwen hielden dat goed in de gaten. Je mocht als kind niet in de kasten voor volwassenen zoeken, maar als jongen werd je ook weggejaagd bij de meisjesboekenkasten.
Tijden probeerde ik de bieb te slim af te zijn en méér boeken per week te lezen, door al klaar te staan bij openingstijd (woensdagmiddag 3 uur), bliksemsnel een boek te lenen, naar huis te rennen en als een bezetene aan het lezen te slaan. Als ik het vóór zes uur (sluitingstijd) uit had, kon ik nog gauw aan ander halen!

zaterdag 16 oktober 2010

66. Jan en Piet: in de naam van de vader....

Jan en Piet, twee oerhollandse jongens, onverschrokken wereldreizigers en koene avonturiers. Wie boekstaafde voor ons, derdeklassers, hun bloedstollende avonturen? Wie stuurde ons elke dag opnieuw om twaalf uur precies met een cliffhanger de straat op? Wie gooide elke dag weer bij het aanbreken van de middagpauze waarin je naar huis mocht en vervolgens ook weer terug moest naar de school van meester Van Ham, een huiveringwekkende kippevelwending het doodstille klaslokaal in?
Meneer Reese. Jawel, die van het onbarmhartige slaag (zie hiervoor).
Elke dag opnieuw gaf hij zo tegen twaalf uur, zeg vijf of tien minuten ervoor, het commando waar wij al uren op zaten te wachten: Opruimen!
De laatste jongen die nog voor straf naast zijn bank stond kreeg een oplawaai en vervolgens zaten alle jongens ongeduldig rechtop in hun lessenaar. Vertel, meester, vertel! Van Jan en Piet!
En dat deed hij. En wij hingen aan zijn lippen.
Hij begon precies waar hij de vorige dag was opgehouden, hij pakte die cliffhanger feilloos beet en liet Jan en Piet in de ene na de andere hinderlaag lopen - waar ze toch elke keer weer heelhuids uitkwamen dankzij hun hollandse slimmigheid en ingenieuze uitrusting. Diepzeemonsters, onderaardse kerkers, donkere grotten vol spinnenwebben, onpeilbare kloven, draken, vleermuizen, duizelingwekkende hoogten. onweer, octopussen met messcherpe tanden in hun muil, zeerovers, vergane schepen, wankele vlotten, krakende bruggen, leugenachtige herbergiers, dronken wildemannen: heel Indiana Jones kwam langs. En elke sessie eindigde precies hetzelfde. Net op het moment dat Jan en Piet weliswaar ontsnapt waren aan een bloeddorstige tijger maar daarvoor in een diepe kloof waren gedoken en nu uit lagen te hijgen en naar het plafond lagen te kijken van de geheimzinnige ruimte waarin ze terecht waren gekomen, merkte Jan ineens op dat er toch wel erg gemene, scherpe punten uit het plafond staken en toen zag Piet dat dat plafond langzaam maar zeker, centimeter voor centimeter, naar beneden kwam..en ze konden er niet uit... In de naam van de vader, de zoon en de heilige geest amen.
Want de ochtend eindigde met gebed en dat zette hij consequent op zo'n moment in. De hele klas knipperde met z'n ogen, zuchtte, maakte dromerig het verplichte kruisteken en bad netjes het weesgegroet mee, en ook nog een onze vader. Amen.

zondag 3 oktober 2010

65. 'Van jou hoef ik geen reep.'

De onderwijzers waren ook niet altijd even subtiel. Die in de derde sloeg erop los (zie hiervoor, ergens), maar vergeleken bij meester Kokke in de vijfde, was dat eigenlijk zo gek nog niet. Klappen, dat begrepen we.
Kokke was streng en gaf lage punten ('Een tien is voor god en een negen is voor mij', dus hoger dan een acht kreeg je sowieso niet - wat een hele schok was voor mij, gewend als ik was aan negens en tienen.), maar bovenal was hij hard en gemeen. Als je jarig was tracteerde je, geloof ik (ik herinner me dat niet echt heel duidelijk). Een snoepje voor alle kinderen en een reep (kwatta, mars, mekka, whatever) voor de meester. Dat was natuurlijk een heel ritueel, elke keer opnieuw. Met een zakje snoep alle rijen af en dan tenslotte met een reep in je hand naar voren, naar de lessenaar van Kokke.
Iets moeten we vermoed hebben, want toen Ton Horvers naar voren liep met de chocoladereep-met-nootjes, hield de hele klas (zuigend op de zuurtjes) hem in de gaten en hij ging met loodzware tred en Kokke deed het ongehoorde waar we op een of andere manier allemaal op zaten te wachten. Met de woorden 'Van jou hoef ik geen reep, doe jij eerst maar eens wat beter je best', weigerde hij de tractatie en Ton kon als een geslagen hond terug naar zijn plaats. Het was doodstil in het lokaal - maar dat was het meestal, bij Kokke.

64. Etre en avoir.

Het was natuurlijk een soortement gajusschool, daar aan de Trouwlaan, waar ook af en toe de politie kwam als er weer eens een jongen zijn zakmes gebruikt had bij een vechtpartij, maar er zaten ook veelbelovende jongens op, die 'goed konden leren', zoals de formule luidde. Die jongens werden in de zesde klas enkele uren per week bij elkaar gezet en dan kregen ze Franse les, van meester Van Dijk.
Dat was een rare zaak en ik begreep er niets van. Ik kon het natuurlijk wel leren, wat hij ons voorschotelde (je, tu, il, nous, vous, ils. Le garcon, La fille. La maison.) maar het drong niet tot me door waar het over ging. Dat het een andere taal was, dat ergens op de wereld mensen hiermee opgroeiden en als vanzelf deze woorden gingen gebruiken, dat kwam niet echt binnen. Maar ja, ik kon 'goed leren' dus ik leerde al die rijtjes gewoon van buiten, zonder te wten wat het was.
Op de HBS, in de uren Frans, duurde het nog enkele weken vóór ik het verband legde tussen de taal die Dhr Reijnen ons trachtte te leren en de lessen van meester Van Dijk - dat die over hetzelfde gingen.

zaterdag 11 september 2010

59. Ëén maal één is één.

Ha. Lager onderwijs aan de school van de Trouwlaan. Geen gemakkelijke klus voor de onderwijzers en niet altijd leuk voor ons, maar er waren ook knusse momenten, dat het allemaal vanzelf ging.
Hoofdrekenen. Niet: sommen maken, maar: de tafels van één tot en met tien van buiten leren. Door ze klassikaal op te dreunen. Dat gaf een mooi, resonerend gevoel in je buik, als we eenmaal de maat te pakken hadden en de hele klas in hetzelfde ritme meedreunde. Doen ze dat nog, nowadays? Met z'n dertigen tegelijk?
Eén maal één is één.
Twee maal één is twee.
Drie maal ......
en zo verder tot we bij tien maal tien waren. Honderd! Klaar!
En zingen met de hele klas was ook leuk. De meester op de blokfluit. Vooral meester van Dijk was muzikaal, maar ik kan me geen liedjes herinneren. Wel dat ik een keer alle sommen fout had, echt 100%. Dat was toen ik 's middags terug op school was nadat in de voormiddag iemand me was komen halen omdat onze pa in het ziekenhuis lag. Hartaanval.

zaterdag 29 mei 2010

39. Behind enemy lines… (1)

Lees eerst 39, dan 38 dan 37 dan 36.
Zaterdagmiddag, dat betekende: op pad met de verkenners (ja, tot mijn twaalfde was dat natuurlijk op pad met de welpen, maar daar gaat het nu niet over). Ik was? 13 of 14. De pastoor Vromanstroep waren wij, waarom weet ik niet, en ons honk was in de Wassenaarlaan, een aanbouw aan het parochiehuis (in de andere aanbouw zat de bibliotheek). Meestal gingen we op de fiets ergens heen, speelden daar het spel van die dag en fietsten in colonne weer terug, maar om een of andere reden waren we die dag te voet in de Beekse Bergen en gingen we in de loop van de middag te voet weer terug. Niet slim.
De Beekse Bergen was toen nog niet het strandbad dat het nu is, met camping en huisjes en kermis en safaripark, het was gewoon een open duinengebied ten zuidoosten van Tilburg en het was best een eind lopen dus ik snap niet dat we te voet waren.
De kortste weg terug was dwars door de Vogeltjesbuurt en dat was tricky, dat wisten we allemaal maar we waren moe en we hadden gen zin in een omweg dus daar gingen we, zo’n 15 jongens van 12-16 jaar, in slordige verkennersuniformen – wat kon ons gebeuren?
Dat zou snel blijken.

38. Behind enemy lines… (2)

Lees eerst 39, dan 38 dan 37 dan 36.
De Vogeltjesbuurt was berucht. Beruchter dan de Veestraat of de Uitvindersbuurt of de Zeeheldenbuurt waar wij zelf vandaan kwamen. We wisten dus waar het over ging en dat we wat geluk nodig hadden want dat het uitcde hand kon lopen.
Fietsen deden we gedisciplineerd in een colonne, maar lopen ging slordiger: gewoon een langgerekte sliert met openingen en groepjes, die, toch wel aarzelend, een vreemde buurt met een slechte reputatie binnentrok. De jongsten hadden niks in de gaten, aanvankelijk, maar het ging vrij snel mis en het was nog onze eigen schuld ook.
Ergens waren wat jongetjes (jonger en dus kleiner dan wij) aan het voetballen en eentje van ons trapte de bal weg. De kinderen zagen die hele troep verkenners (zo heette dat bij de verkenners: je was de troep) en verdwenen ijlings – voor even. Ze kwamen met méér terug, maar vooral: ze haalden er enkele grote jongens bij. Nondeju. We waren er al voorbij maar we zagen ze komen en ons tempo ging ineens flink omhoog, alleen, we wilden (nog) niet gaan rennen.
De kleine jongens van het voetballen haalden ons het eerst in want zij renden er verbeten op los. De grote jongens liepen niet echt hard maar wel harder dan wij en eentje had een eind hout in zijn handen. We zagen vrouwen uit de ramen hangen en kinderen uit de weg gaan en we formeerden ons bliksemsnel: de kleinsten naar voren, de anderen naar achter, waar het gevaar dreigde. En doorlopen nondeju!

37. Behind enemy lines... (3)

Lees eerst 39, dan 38 dan 37 dan 36.
De kleine jongens sarden en spuugden, scholden en dreigden, begonnen uitdagend te duwen. En jawel, daar had er eentje een pats te pakken, van één van die van Horvers, een forse tweeling die er genadeloos op los kon slaan – onze troef, bleek al snel.
Er ging een soort gebrul op vanwege deze gewelddaad tegen één van hen in hun eigen buurt. Het groepje kleine jongens bleef afwachtend staan, de grote jongens (3 geloof ik) versnelden en eentje hief dreigend het eind hout.
Onze voorhoede sloeg nu echt op de vlucht, helemaal achterin stond de tweeling Horvers en nog enkele jongens, maar nog steeds waren we op doortocht, we stopten niet. Met een paar passen hadden de grote jongens ons ingehaald en ze sloegen meteen die van Horvers op z’n gezicht. Dat was niet slim want stante pede veranderde onze aftocht in een gevecht. Terwijl de voorhoede honderd meter verder en bijna in de relatieve veiligheid van de Broekhovenseweg, bibberend en bleek toekeek, gingen die van Horvers het gevecht aan: als gekken sloegen ze er op los en verrasten de grote buurtjongens met hun verbeten en totaal onverschrokken vechtlust. Met vertrokken gezichten en samengeknepen ogen en bijna huilend van woede gingen ze even te keer en weken vervolgens enkele meters terug, richting voorhoede. Maar nu gingen links en rechts voordeuren open en we zagen enkele volwassen mannen in de richting van het relletje lopen. De buurtjongens vielen opnieuw aan (onder gekrijs van de kleine jongens die evenwel buiten ons bereik bleven), maaiden met het eind hout en verdomd –eentje van Horvers lukte het om dat hout af te pakken en hij sloeg onmiddellijk en zonder nadenken en zo hard als ie kon de aanvaller frontaal op z’n kop. Eén twee drie keer. Die zakte op het trottoir in elkaar, ik zie hem nog gedesoriënteerd rondkruipen op handen en voeten, groggy. Even was het helemaal stil op straat.

36. Behind enemy lines ... (4)

Lees eerst 39, dan 38 dan 37 dan 36.
Dat gaf ons de gelegenheid om ons los te maken uit het gevecht en in blinde paniek rende nu de hele troep verkenners de buurt uit de Broekhovenseweg op. Een brede straat, niet meer de dreigende beslotenheid van de Vogeltjesbuurt. Maar niemand dacht er aan te stoppen of zelfs maar om te kijken. Rennen, de Ringbaan Zuid over. Doorrennen. Bij cafe Beth Kolen de Oerlesestraat in, langs het Transvaalplein af. Niemand kwam ons nog achterna, maar we bleven rennen tot we ons honk bereikten en opgevangen werden door de hopman.
We deden ons relaas, we toonden hem het stuk hout dan die van Horvers nog steeds in zijn hand geklemd had. Hij bekeek het zorgvuldig: er zat een grote bloedvlek op.
‘Nou’, zei hij, ‘Laten we dat maar in het kampvuur gooien. En als de politie komt weten we niets van dat stuk hout.’
Natuurlijk kwam de politie niet – het was ook een vreemd idee dat die van de Vogeltjesbuurt de wouten zou bellen. Maar jarenlang zijn wij met de verkenners met een wijde boog om de buurt heen gefietst.

zondag 23 mei 2010

35. Gymnastiekles

Bij Huize Nazareth was een gymzaal, bij ons op de lagere school niet dus wij gingen gymmen in de Nazarethstraat. Douches waren daar niet, gymkleren hadden wij niet. Dus?
Wij liepen netjes in de rij naar de gymzaal, daar trokken we onze schoenen en kousen uit en (als je die had) je bloes of trui. Je gymde in je hemd en je (korte) broek. Alle jongens op de lagere school droegen toen een korte broek, ook in de winter denk ik. Na afloop gauw weer kousen en schoenen en bloes aan en terug naar school.
Het moet gestonken hebben in de klas maar wij waren ons nergens van bewust.
Toen ik naar de HBS ging kregen we aparte gymkleding. Omdat Paulus een kindje was van Odulphus, was het gymtenue op het Pauluslyceum het omgekeerde van Odulphus: die hadden een rode broek met een witte bies, wij een witte broek met een rode bies.
Douchen was er nog steeds niet bij, op Paulus. Grote, ronde wasbakken stonden er en de gymleraar zag er streng op toe dat je je voeten waste. En vóór de les begon stelde hij ons op in een lange rij en liep hij achter ons door met een stok in zijn hand. Hij keurde de lengte van onze haren. Dit was 1965, de jeugd dreigde te ontsporen en het meest manifeste teken daarvan was 'bietelhaar'. De school deed zijn uiterste best ons in het gareel te houden. Tevergeefs.

34. 'Hofjes'

Herinnering van ons moeder aan de oorlog, nee, aan de bevrijding - dat een Canadese soldaat haar de weg vroeg maar ze verstond hem niet dus ze kon hem niet helpen en daar werd ie boos om. Maar dat ze hem niet verstond dat kon ze toch niet helpen? Waarom werd hij dan boos?
Ontdaan ging ze naar huis en daar legden haar oudere broers het haar uit, toen ze na nauwgezette ondervraging precies had verteld naar welke straat hij had gevraagd.
De jongens snapten het meteen: oh, hij vroeg naar de oranjestraat, dat is in de Koningswei, daar zitten de hoeren. Daarom werd ie natuurlijk kwaad, hij dacht dat je het niet wílde zeggen.
Ons mam was perplex, wist niks van de reputatie van de Oranjestraat.
De Koningswei stond slecht bekend en werd eind jaren 50 afgebroken, maakte plaats voor het Konigsplein etc. De bewoners werden geherhuisvest in de nieuwe wijk het Wandelbos, in een aantal straten die allemaal op 'hof' eindigden. In de Tilburgse volksmond was 'hofje' een tijdlang synoniem voor achterbuurt, tenminste, in de jaren '80 gebruikten mijn mts-leerlingen (bij de lessen over sociale stratificatie) het in die betekenis: Oh meneer, u bedoelt hofjes...

zondag 16 mei 2010

32. D'n Buik

Huize Nazareth was 2 of 3 straten verder: Wassenaarlaan, Ruijterstraat, dan kwam je bij de kruising met de Nieuwstraat, daar begon de Nazarethstraat. Op de hoek zat een bakker, Van Dijk, die zijn zaak ombouwde tot friettent. Een dikke man, d'n Buik heette hij de de volksmond, of in elk geval: zo noemden wij hem (ja, niet in zijn gezicht natuurlijk). Dit was al wat later, een jaar of 12 was ik toen. Hij had een mooie dochter (Gonnie), die hielp in de zaak en daarom hingen wij daar graag rond. Maar je mocht alleen in de zaak rondhangen als je friet at, of kroketten, dus het vergde nogal wat zakgeld.
wij zaten daar dan, 4 of 5 jongens, de vaste fanclub zeg maar, Gonnie achter de toonbank, d'n Buik ergens in het achterhuis. Als ie de zaak in kwam moest je snel iets bestellen anders moest je er uit. 'Gonnie, doe mij nog maar een kroket', riepen wij in koor als de deur openging voor de indrukwekkende gestalte van haar vader.
Als ze de kroektten er te snel uithaalde dan waren ze nog koud van binnen en dan kreeg je een nieuwe, nadat d'n Buik met een dikke vinger aan je kroket had gevoeld of ie inderdaad koud was, van binnen.
Zijn zoon opende later een automatiek aan het St Annaplein.

zaterdag 1 mei 2010

29. Hygienisch.

Wij hadden aanvankelijk geen douche. Je waste je 's morgens (gezicht, nek, hals, handen)en trok je kleren van die week weer aan. 's Zaterdags werd je gewassen in de keuken, in een teiltje warm water.
Dat water kwam niet uit de geyser want die was er ook niet. Grote ketel op het gasstel, dan had je warm water. En dat wassen 's morgens? We hadden geen vaste wastafels maar commmodes met daarop een lampetkan vol water. Ja, ik snap ook wel dat dat klinkt alsof ik driehonderd jaar oud ben, maar toch was het zo. Je goot de lampetkan leeg in de schaal die erbij hoorde en met dat water waste je je (oe eigen). De slaapkamers waren ook niet verwarmd dus als het flink vroor zat er 's morgens een laagje ijs op het water in de kan.

(En, rare herinnering, de bovenkant van mijn dekens was dan ook bevroren want ik zweette nogal 's nachts en dat trok dan door het laken en de 2 dekens heen en daarboven gekomen bevroor het dus. Zei ons moeder. De haren van de bovenste deken waren dan hard en wit en voelden vreemd aan.)

zondag 25 april 2010

26. 'Nie doen.'

De straat verloederde: achter ons trok een gezin in met al snel één, toen twee en toen zelfs drie kleine kinderen. Als konijnen. Terwijl de vrouw gehandicapt was: ze trok met haar ene been en haar linkerarm stond krom.
Goh, dat dat ook kon, dat je dan toch gewoon kinderen kon maken en krijgen - als kleine jongen begreep ik er niks van. De buurvrouw had het beter geschoten, die zei tegen ons mam (ik scharrelde onzichtbaar maar wel binnen gehoorsafstand rond): 'Ze is zo geil als ze gehandicapt is'.
Later vroeg ik aan ons mam wat dat was: 'gehandicapt'.
Haar man, een lange, magere slungel, deugde niet. Hij handelde stiekem in drank, ontdekten we bij het spelen: zijn schuurtje stond vol kratjes bier. Daar verdiende hij blijkbaar goed mee, want ze kochten al vroeg een groot tv-toestel en dus zaten wij regelmatig daar. Tv-kijken op de woensdagmiddag. Soms hing er een rare lucht en rondkijkend waar die vandaan kwam of gewoon over de vloer kruipend, ik weet het niet meer, stuitte ik eens op een grote, witte po met daarin een grote, bruine drol. Daar kwam die lucht vandaan.
Een jongen uit de buurt (eentje van govers) iets ouder dan ik, vertelde eens dat ie gezien had hoe de vader die gehandicapte moeder vastpakte in de gang en onder haar rok greep, wat ze giechelend afweerde: Doe nie.
Het was duidelijk: de buurt verloederde maar het werd er niet saaier op.

zondag 18 april 2010

25. Opschrève bij de melkboer

Wij kregen altijd geld mee als je, vlak vóór 6 uur, nog gauw een ons belegen kaas moest gaan hslen bij de melkboer. Maar niet iedereen. Zo tegen zessen kon het gemeen druk zijn in de winkel ('Zuivelhandel', stond in een halve bood van zilveren letters op het winkelraam) en soms werden kinderen voor dat volle front geconfronteerd met de schulden van pa en ma. Dan hadden ze vele minuten lang gewacht tot ze aan de beurt waren, ze hadden hun boodschap gestameld, die was afgesneden en verpakt en werd overhandigd - nee, dat nog net niet, want de melkboer zei met het onsje sisiworst nog in zijn hand: 'heb je centjes bij je?'
'Opschrève', zei zo'n kind dan - en dan wist je het al.
De melkboer legde de boodschappen buiten bereik, draaide zich om en keek in het grote boek. Zag hij daar een bedrag open staan dan zei hij nee: 'Eerst centjes halen thuis. Zeg maar tegen jullie moeder dat er nog te veel opgeschreven staat.'
Je zag de aarzeling. Wat moest dat kind nu? Thuiskomen zonder worst betekende misschien wel slaag. Maar er zat niets anders op: de papieren zak met worst lag buiten bereik achter de toonbank, de melkboer draaide zich naar de volgende klant.
Afdruipen was het enige dat er op zat - en afdruipen werd het. De winkel zweeg.

24. Aflevering voor boven de 18.

Seks bestond natuurlijk niet in de jaren '50, in de nette Trompstraat, maar toch gebeurde er wel eens wat. Onderstaande heb ik van horen zeggen - uit tamelijk betrouwbare bron.
Er kwam een wijkhuis midden in de Jan van Galenstraat, onderdeel natuurlijk van een burgerlijk beschavingsoffensief, Nette meisjes uit de parochie gingen daar diensten draaien. Ze kwamen voor verrassingen te staan en de eerste was natuurlijk dat die lui uit de Jan van Galenstraat (die nu van 'schooiers' promoveerden tot asocialen') er helemaal niet op zaten te wachten. En dat lieten merken. Als volgt.
Hella was de beroepskracht in het wijkhuis, een mollige blondine van een jaar of twintig. Op de ochtend waar dit verhaal over gaat, ging ze informeren bij een gezin waarom een bepaald meisje niet op de speelmiddag geweest was, woensdag. Ze dacht slim te zijn door midden op de ochtend te gaan, dan was de man vast uit werken en kon ze alleen met de moeder praten.
Dus wat deed ze? Als er een bel geweest was had ze aangebeld, maar er was geen bel dus ze klopte op de deur en er was geen deurknop maar een klink dus toen ze vaag een vrouwenstem hoorde roepen 'Jè kom mar' ging ze binnen.
Ze gaat binnen en staat meteen in de woonkamer en in de woonkamer staat een bed en daar liggen pa en ma in en die liggen te neuken. Dat woord bestond overigens nog niet, toen. In het verhaal dat ik hoorde heette het: 'en die waren bezig', met een veelbetekendende blik erbij. Gelukkig wel onder de dekens, maar er staat nóg een bed in de kamer en daarin ligt de 18-jarige zoon van het stel - te kijken. Met zijn handen onder de dekens.
'Jè wè ist juffrouw', vraagt de vrouw een beetje moeizaam vanonder haar man. Hella os totaal verbijsterd en kan geen woord uitbrengen.
Dan vraagt de zoon op pesterige toon: 'Hèdde soms ôk zin juffrouw?'
'Jè, dan kreupt ur mar bij hôr, hij kan ut goed', grinnikt de moeder, terwijl Hellas bij zinnen komt en volkomen in de war de straat op struikelt.
Luid gelach vanuit het huis: 'He, doe de deur dicht', hoort ze nog maar ze gaat niet terug.

zondag 11 april 2010

23. De Trompstaat? Netjes houden!

Na dat gedoe met de buren (zie nummer 22) vroeg ons moeder een gesprek aan met de maatschappelijk werkster van de wonigbouwvereniging. Hoe zat het?
Hoe zat wat?
Wat waren ze van plan met de Trompstraat?
De mevrouw schrok van het verhaal over de buren met die maffe oma en hun nachtelijke vertrek om de schuldeisers te ontvluchten. Dat was niet de bedoeling. En wat ze van plan waren met de Trompstraat?
'Nou, we willen de Trompstraat eigenlijk wel netjes houden.'
'Als jullie dat van plan zijn dan zijn jullie op de verkeerde weg', vond ons moedere, maar ze was wel gerustgesteld en de verhuisplannen werden voorlopig vergeten. Ons nette bastion tussen twee asociale buurten werd voorlopig beschermd door de woningbouwvereniging - no worries.

22. Dès mèn fiets!

De straat verloederde. Achter ons woonden eerst ome Gerrit en tante Roosje (echte oom en tante) en die verhuisden naar een betere buurt. Wat kwam er voor in de plaats? Gajus!
Naast ons woonde buurman (Van den Bergh, aardige oude weduwnaar meteen inwonende ongetrouwde dochter, tante Jo) en die ging naar het bejaardentehuis (Koningsvoorde) en wat kwam er voor in de plaats? Gajus!
De nieuwe buren brachten een maffe oma mee die via het oude, wrakke poortje ineens bij ons op de plaats stond, met bevende vinger op de fiets van ons moeder wees en vol verontwaardigde overtuiging zei: 'Dès mèn fiets!' Wij geloofden onze oren niet en spijkerden het poortje dicht.
Een paar weken later informeerde de melkboer bij ons moeder: hoezat het met de buren?
Hoezo?
Ze hebben veel opgeschreven staan en ze doen al een paar dagen niet open.
Waren ze stiekem verhuisd, 's nachts. Hadden wij niets van gemerkt.