De eerste week, in Molyvos, met de kinderen en aanhang erbij, hadden we een eigen stuk strand. Dat klinkt luuks en dat is het ook, maar het is ook saai want je ziet niemand anders en dat is toch het leuke van strandzitten (afgezien van het strandzitten zelf): dat je vreemden in die intieme toestand van bijna bloot luieren, lezen, baden, afdrogen, insmeren, spelen, sporten, slapen & sluimeren onbelemmerd kunt bekijken.
Dat was beter geregeld in Petra, week 2 en 3. Daar liepen we van ons tuinhuisje in een paar minuten naar een openbaar stuk strand dat werd ge-exploiteerd door Coco, cafe-restaurant. Parasols, ligstoelen, tafeltjes en een mooie, vrolijke serveerster (Christanti) die alles bij je bracht. En vooral: andere gasten die je na de eerste dag herkende en elkaar aanwees:
'Kijk, Hennie Huisman is er ook weer', (een lookalike met een vrouw die voortdurend aan haar borsten zat te frutten: gezellig).
'En daar, Charles Bronson', (vijftiger met een mooie, veel te jonge vrouw. De gelijkenis zit 'm vooral in zijn gezicht en manier van bewegen, heel indrukwekkend). En een oude man die we 'de blote kont' noemden omdat dat het eerste was wat we van hem zagen en we hadden dat liever niet gezien maar we keken argeloos om op het moment dat ie (quasi decent) net z'n zwembroek uittrok. Blote Kont was wel een jaar of tachtig en kwam elke dag zwemmen met twee vrouwen: eentje van zijn eigen leeftijd en eentje twintig jaar jonger. Vrouw en dochter waarschijnlijk.
Een stel Vlamingen onder leiding van een dikke, luidruchtige bondine. Veel hard gelach. En Barbra Royle: 'Oh kijk Car, daar, die blonde, dat is Barbra, weet je wel, van de Royle Family.'
Dat was een Engelse sitcom van enkele jaren geleden over een aso-gezin, Londense Tokkies. Schitterende serie. Barbra was de moeder, een verlepte, kettingrokende blondine met slordig opgestoken haar. Hier in Molyvos is ze met een jongentje van een jaar of 7, 8, dat voortdurend wil stoeien met oma(?) Soms geeft ze toe en dan moet ze oppassen dat haar tieten niet uit haar bovenstuk vallen want ze heeft een decolette 'you can park a bike in' (dit beeld ontleen ik aan een boek van Martin Amis, dat je niet denkt dat ik al die shit zelf verzin).
Van dichtbij lijkt Barbra op Diana Keaton in haar nadagen. Een paar dagen later zien we haar vanaf een terras in het dorpje een jeep besturen. Heel verwarrend als iemand ineens in een andere rol en setting opduikt, ik had haar bijna geroepen.
Op een dag is het mis. Op het strandterras van Coco zitten drie stomdronken jongemannen, twee twintigers en een dertiger (dat is de gangmaker). Ze praten veel en veel te hard en drinken veel en veel te veel voor deze keurige gezinssetting en als Car en ik het strand oplopen zie ik Kostas, de eigenaar van Coco, zitten: een eindje achteraf, om de zaak in de gaten te houden. Ik weet dan nog niet dat hij de zaak in de gaten zit te houden want hij drinkt er ontspannen een kopje koffie bij, maar al snel loopt hij op het dronken gajus toe en maant tot kalmte. Ik ga overeind zitten en denk, als er stront van komt ga ik meedoen, gebeurt er weer eens iets. Maar voorlopig gebeurt er niets: ze zijn een stuk kalmer (Kostas is een grote man).
Kostas gaat terug naar zijn cafe, Chrisanti bengt weer bier naar die gasten en het gaat niet over maar het neemt toe: ze vallen andere gasten lastig en die reageren daar inadequaat op: te tolerant. (Jammer dat Charles Bronson er vandaag niet is, trouwens.) Dan komt de waardin van Coco (de vrouw van Kostas, ook van indukwekkend formaat) het strand op en leest ze op harde toon de les. Dat maakt geen indruk. Kostas zelf is zijn vrouw nagelopen en mengt zich in de schermutselingen en ik ga rechtop zitten: ha, misschien toch.
Maar Kostas lost het goed op. Hij praat op de gangmaker in (die nauwelijks meer op zijn benen kan staan van de drank), trekt hem overeind en voert hem mee het strand af, zijn arm vriendschappelijk maar uitermate dwingend om zijn schouder geslagen: afgemarcheerd naar de parkeerplaats. Kostas komt terug en wijst op de andere twee: moven. Dat doen ze, mokkend en treuzelend maar ontegenzeggelijk. Vanaf de parkeerplaats wordt ongeduldig getoeterd. Met piepende banden scheurt de auto even later weg en het is weer rustig aan het strand.
donderdag 9 augustus 2012
maandag 6 augustus 2012
Lesbos 2012: een slang!
'Primitief' is niet helemaal het goede woord, maar toch, het restaurantje staat achteraf, in het agrarische achterland van Molyvos. 'Pericles' heet deze familie-onderneming: vader moeder zoon dochter. Pericles is goed verstopt onder de wijnranken: ook als je er vlak vóór staat zie je het niet, maar wij kennen het van vorig jaar dus ons foppen ze niet. We zijn de eersten en samen met de ober (zoon) slepen we tafels door het grint van het terras om een goede schikking te krijgen voor ons zessen (vader moeder dochter + aanhang zoon + aanhang).
Even wachten op het menu want de dochter is nog bezig de prijzen uit te gummen achter de gerechten die ze vandaag niet gaat klaarmaken, maar daar is het al. Wij zoeken naar wat wél beschikbaar is en dan zegt Carla ineens, verontrust maar niet in paniek: 'Gerard, een slang.'
Nondeju! Ik kijk opzij en zie een flinke, lichtgroene slang door het grint glijden. Zeker 80 centimeter en hij komt mijn kant op. Ik spring op en gris het fototoestel van tafel en stap naar achteren. Wat nu? Iedereen staat inmiddels overeind. De slang slingert door het grint, onder mijn gevallen stoel door, langs de tafel af naar een grote aardewerk pot die daar op zijn kop staat ter versiering. Er staat ook een paal om het luifel te ondersteunen en enkele grote stenen en wat plantjes, allemaal heel rustiek. Daar verstopt hij zich, op anderhalve meter van onze tafels.
Gaan wij nu rustig zitten eten? Ja, lauw loene. We verzamelen ons rondom de slangen-verstopplaats, op eerbiedige afstand dat wel. Ik met de camera in de aanslag aan de ene kant waar je een beetje eronder kunt kijken, zoon Willem aan de andere kant. Hij pakt de pot vast aan de bovenkant (die de onderkant is) en kijkt mij aan. Ik richt de camera en knik, hij trekt de pot voorzichtig aan één kant omhoog. We kijken eronder, maar er is veel te zien en het is niet erg duidelijk. Is dat daar de slang? Nee daar, dat beweegt. Willem laat de pot weer los, de ober loopt zenuwachtig naar achter en komt terug met zijn oude vader. Die is niet van de zenuwen en de paniek, maar draagt tuinlaarzen en heeft een messcherpe spade in zijn hand. Wij nemen wat meer afstand. Hij duwt de pot om, er is beweging in het grint en hij hakt er op los. Tsjak tsjak tsjak. We zien een stukje van de slang uit de wirwar kronkelen. Tsjak tsjak. Afgelopen. De vader wandelt terug naar zijn tuin, wij gaan aan tafel en de ober komt onze bestelling opnemen. ('Can we have snake for starters?')
Hij staat naast mij met zijn gezicht in de richting van de slangenverstopplaats. Wat verder naar achter is daar een schuurtje en een onduidelijke verzameling rommel en installaties. Ik kijk de jongen aan om mijn bestelling te plaatsen en zie zijn gezicht veranderen: van vriendelijk-aandachtig naar tamelijk-ontsteld naar dodelijk-geschrokken. Zijn mond valt wagenwijd open en zijn ogen zijn opengesperd. Hij laat zijn opschrijfboekje op tafel vallen en sprint weg, naar achteren.
Willem zegt later: in films is dit het moment waarop wij als onschuldige toeristen omkijken en BOEM, daar hangt dan de enorme kop van het vreselijke monster met opengesperde muil, klaar om toe te slaan. Nou inderdaad, wij kijken om en zien ... niets eigenlijk. Het schuurtje ja. De rommel erom heen ja. De installaties ook. Een straaltje water dat onder het schuurtje uitkomt - en dat is het wel.
Er volgt geen verklaring. De ober komt terug, wij plaatsen onze bestelling, even later brengt hij het eten en, met af en toe een schuine blik op de slangenverstopplaats, eten wij dat netjes op. (Op de foto's is geen slang te zien, overigens.)
'Pericles', in Molyvos, op Lesbos: een aanrader. Niet vanwege de keuken want die is doorsnee, maar (zonder grappen verder) vanwege de sfeer.
Nondeju! Ik kijk opzij en zie een flinke, lichtgroene slang door het grint glijden. Zeker 80 centimeter en hij komt mijn kant op. Ik spring op en gris het fototoestel van tafel en stap naar achteren. Wat nu? Iedereen staat inmiddels overeind. De slang slingert door het grint, onder mijn gevallen stoel door, langs de tafel af naar een grote aardewerk pot die daar op zijn kop staat ter versiering. Er staat ook een paal om het luifel te ondersteunen en enkele grote stenen en wat plantjes, allemaal heel rustiek. Daar verstopt hij zich, op anderhalve meter van onze tafels.
Gaan wij nu rustig zitten eten? Ja, lauw loene. We verzamelen ons rondom de slangen-verstopplaats, op eerbiedige afstand dat wel. Ik met de camera in de aanslag aan de ene kant waar je een beetje eronder kunt kijken, zoon Willem aan de andere kant. Hij pakt de pot vast aan de bovenkant (die de onderkant is) en kijkt mij aan. Ik richt de camera en knik, hij trekt de pot voorzichtig aan één kant omhoog. We kijken eronder, maar er is veel te zien en het is niet erg duidelijk. Is dat daar de slang? Nee daar, dat beweegt. Willem laat de pot weer los, de ober loopt zenuwachtig naar achter en komt terug met zijn oude vader. Die is niet van de zenuwen en de paniek, maar draagt tuinlaarzen en heeft een messcherpe spade in zijn hand. Wij nemen wat meer afstand. Hij duwt de pot om, er is beweging in het grint en hij hakt er op los. Tsjak tsjak tsjak. We zien een stukje van de slang uit de wirwar kronkelen. Tsjak tsjak. Afgelopen. De vader wandelt terug naar zijn tuin, wij gaan aan tafel en de ober komt onze bestelling opnemen. ('Can we have snake for starters?')
Hij staat naast mij met zijn gezicht in de richting van de slangenverstopplaats. Wat verder naar achter is daar een schuurtje en een onduidelijke verzameling rommel en installaties. Ik kijk de jongen aan om mijn bestelling te plaatsen en zie zijn gezicht veranderen: van vriendelijk-aandachtig naar tamelijk-ontsteld naar dodelijk-geschrokken. Zijn mond valt wagenwijd open en zijn ogen zijn opengesperd. Hij laat zijn opschrijfboekje op tafel vallen en sprint weg, naar achteren.
Willem zegt later: in films is dit het moment waarop wij als onschuldige toeristen omkijken en BOEM, daar hangt dan de enorme kop van het vreselijke monster met opengesperde muil, klaar om toe te slaan. Nou inderdaad, wij kijken om en zien ... niets eigenlijk. Het schuurtje ja. De rommel erom heen ja. De installaties ook. Een straaltje water dat onder het schuurtje uitkomt - en dat is het wel.
Er volgt geen verklaring. De ober komt terug, wij plaatsen onze bestelling, even later brengt hij het eten en, met af en toe een schuine blik op de slangenverstopplaats, eten wij dat netjes op. (Op de foto's is geen slang te zien, overigens.)
'Pericles', in Molyvos, op Lesbos: een aanrader. Niet vanwege de keuken want die is doorsnee, maar (zonder grappen verder) vanwege de sfeer.
zaterdag 10 maart 2012
110. Kapotje? Kalotje!
Wie weet tegenwoordig nog wat een kalotje is? En wie weet tegenwoordig nog wat een kapotje is? Nou, dat kapotje, dat wisten wij want dat woord was toen veel en veel gebruikelijker en gewoner dan het tegenwoordige 'condoom'.
Condoom, dat was NVSH-taal, medisch. Er was natuurlijk wel een jongen op school die ze verkocht, stiekem, maar dat waren dus kaptojes. Spannend was dat, zo'n ding in je bezit. Je versleet het in je broekzak natuurlijk, want er was nog geen sprake van neuken, in die eerste jaren op de HBS.
En toen zei de leraar Nederlands Eligh ineens hardop in de les: 'KAPOTJE!' - dachten wij. Hij zei natuurlijk iets anders, maar dat nam niet weg dat de hele klas wakker schrok en de slappe lach kreeg. WAT zei hij????
Het ging om een gedicht van Guido Gezelle, iets over de natuur, een sloot, een waterbeestje dat over het wateropppervlak scheerde. Dat beschreef Gezelle. En dan beschreef hij ook dat beestje, als ik het mij goed herinner. Eligh droeg dat voor, declameerde enthousiast:
'... met het smalle kaloteken aan..'
En toen vroeg één van die pubers: 'Meneer, wat is een kaloteken?'
En toen zei Eligh volkomen argeloos: 'Dat is ons woord kalotje.'
Maar dat verstond de hele klas collectief verkeerd, als 'kapotje'.
Want wie wist nu wat een kalotje was? Ja, zo'n ding dat een frater op zijn kop had of zoiets, maar dat wisten alleen de misdienaars onder ons en die hielden natuurolijk angstvallig hun mond over die fase in hun carriere.
Onderdrukt geproest, slappe lach, zenuwachtig gegiechel. Geen aandacht meer voor Guido en Gezelle.
Ach, hoe onschuldig waren wij. Plezier konden wij nog hebben om de Engelse zin 'during a short lull', wat toch gewoon 'een korte tijdspanne' betekende, verzekerde de lerares Engels juffrouw Jansen ons. Een jaar later kregen we natuurkunde van Opgenoorth en die schepte altijd op over de hoeveelheid kapotjes die hij versleet. Volgende keer verder.
Condoom, dat was NVSH-taal, medisch. Er was natuurlijk wel een jongen op school die ze verkocht, stiekem, maar dat waren dus kaptojes. Spannend was dat, zo'n ding in je bezit. Je versleet het in je broekzak natuurlijk, want er was nog geen sprake van neuken, in die eerste jaren op de HBS.
En toen zei de leraar Nederlands Eligh ineens hardop in de les: 'KAPOTJE!' - dachten wij. Hij zei natuurlijk iets anders, maar dat nam niet weg dat de hele klas wakker schrok en de slappe lach kreeg. WAT zei hij????
Het ging om een gedicht van Guido Gezelle, iets over de natuur, een sloot, een waterbeestje dat over het wateropppervlak scheerde. Dat beschreef Gezelle. En dan beschreef hij ook dat beestje, als ik het mij goed herinner. Eligh droeg dat voor, declameerde enthousiast:
'... met het smalle kaloteken aan..'
En toen vroeg één van die pubers: 'Meneer, wat is een kaloteken?'
En toen zei Eligh volkomen argeloos: 'Dat is ons woord kalotje.'
Maar dat verstond de hele klas collectief verkeerd, als 'kapotje'.
Want wie wist nu wat een kalotje was? Ja, zo'n ding dat een frater op zijn kop had of zoiets, maar dat wisten alleen de misdienaars onder ons en die hielden natuurolijk angstvallig hun mond over die fase in hun carriere.
Onderdrukt geproest, slappe lach, zenuwachtig gegiechel. Geen aandacht meer voor Guido en Gezelle.
Ach, hoe onschuldig waren wij. Plezier konden wij nog hebben om de Engelse zin 'during a short lull', wat toch gewoon 'een korte tijdspanne' betekende, verzekerde de lerares Engels juffrouw Jansen ons. Een jaar later kregen we natuurkunde van Opgenoorth en die schepte altijd op over de hoeveelheid kapotjes die hij versleet. Volgende keer verder.
zaterdag 3 maart 2012
109. de mooiste juf ooit...
In de eerste klas van de HBS kregen wij tekenles van de mooiste juf ooit, juffrouw Weegels. Ik vraag me nu natuurlijk af of ze echt mooi was en ik zou daar geen eed op durven doen, maar ik weet wel dat ze toen de indruk wekte dat ze mooi was. Op jamesbondachtige wijze mooi, bedoel ik. Filmsterren-mooi, bedoel ik. Glamour, dat bedoel ik. En het was haar eerste jaar voor de klas.
Wat deed dat mens bij ons op school, in onze barakken aan het Stuyvesantplein? Het paste helemaal niet, juffrouw Weegels, en dat werd haar ook wel duidelijk gemaakt, met die zware, nadrukkelijke make up en dat haar helemaal opgestoken en die mantelpakjes en die lange, gelakte nagels... wij wisten niet wat we zagen en we wisten niet hoe we daarmee moesten omgaan. En dat heeft ze geweten.
In onze eerste klas, helemaal vol jongens, zat een rare jongen met een gebitje, een plaatje met zijn vier boventanden. Ik ben zijn naam vergeten, ik denk Tom, niet bijster slim want hij was blijven zitten en dat zou hij dit jaar weer doen dus toen verdween hij van schoool. Hij was een jaar ouder dan wij en hij deed vreemd. Hij wilde gangmaker zijn maar dat lukte niet en dan kreeg je van die schrijnende situaties. Maar bij juffrouw Weegels was het ineens wél leuk. Schaterlachend leuk. Hilarisch leuk. Totaal onverwacht slapstickachtig leuk.
In het tekenlokaal natuurlijk, met al die dure, verstelbare tekentafels in lange rijen achter elkaar en wij daar tussendoor krioelend (orde houden kon juffrouw Weegels niet). En opeens wordt het haar te veel, die chaos, dat kabaal, en valt ze totaal onverwacht uit tegen Tom.
Echt schreeuwen was het, herinner ik me. Dat ie z'n gemak moest houden en dat ze er genoeg van had en zo voorts. De klas viel helemaal stil en alle ogen richtten zich op Tom, die roerloos rechtop achter zijn tekentafel zat.
En toen iedereen naar hem keek en juffrouwe Weegels klaar was met haar tirade, toen viel de mond in zijn blozende, bolle toet open en kletterde zijn gebitje op zijn tekentafel. Ontzet keek juffrouw Weegels naar dat rare, obscene ding dat daar ineens op tafel lag, en het duurde zeker drie tellen voor de eerste van ons aarzelend begon te lachen.
Ik geloof niet dat juffrouw Weegels het hele schooljaar heeft volgemaakt.
Wat deed dat mens bij ons op school, in onze barakken aan het Stuyvesantplein? Het paste helemaal niet, juffrouw Weegels, en dat werd haar ook wel duidelijk gemaakt, met die zware, nadrukkelijke make up en dat haar helemaal opgestoken en die mantelpakjes en die lange, gelakte nagels... wij wisten niet wat we zagen en we wisten niet hoe we daarmee moesten omgaan. En dat heeft ze geweten.
In onze eerste klas, helemaal vol jongens, zat een rare jongen met een gebitje, een plaatje met zijn vier boventanden. Ik ben zijn naam vergeten, ik denk Tom, niet bijster slim want hij was blijven zitten en dat zou hij dit jaar weer doen dus toen verdween hij van schoool. Hij was een jaar ouder dan wij en hij deed vreemd. Hij wilde gangmaker zijn maar dat lukte niet en dan kreeg je van die schrijnende situaties. Maar bij juffrouw Weegels was het ineens wél leuk. Schaterlachend leuk. Hilarisch leuk. Totaal onverwacht slapstickachtig leuk.
In het tekenlokaal natuurlijk, met al die dure, verstelbare tekentafels in lange rijen achter elkaar en wij daar tussendoor krioelend (orde houden kon juffrouw Weegels niet). En opeens wordt het haar te veel, die chaos, dat kabaal, en valt ze totaal onverwacht uit tegen Tom.
Echt schreeuwen was het, herinner ik me. Dat ie z'n gemak moest houden en dat ze er genoeg van had en zo voorts. De klas viel helemaal stil en alle ogen richtten zich op Tom, die roerloos rechtop achter zijn tekentafel zat.
En toen iedereen naar hem keek en juffrouwe Weegels klaar was met haar tirade, toen viel de mond in zijn blozende, bolle toet open en kletterde zijn gebitje op zijn tekentafel. Ontzet keek juffrouw Weegels naar dat rare, obscene ding dat daar ineens op tafel lag, en het duurde zeker drie tellen voor de eerste van ons aarzelend begon te lachen.
Ik geloof niet dat juffrouw Weegels het hele schooljaar heeft volgemaakt.
Labels:
Cobbenhagencollege,
paulus-lyceum,
telenles
vrijdag 24 februari 2012
108. De beha van Jeske
Dit moet in de tweede geweest zijn want ik zat het eerste jaar in 1m en daar zaten geen meisjs in (ze nummerden de klassen op het Stuyvesantplein toen nog gewoon door met die van Paulus aan de Wandelboslaan, vandaar 1m). In 2k wel! Dat was veel leuker natuurlijk. Ik herinner me de nauw bedwongen opwinding die door de jongens ging toen Fransje de Brouwer (die in de bank achter haar zat), het bericht doorgaf: 'De beha van Jeske is los!'
De beha van Jeske! Wow. Dat sprak tot de verbeelding want Jeske had grote borsten, de grootste van de klas. Ik weet nu, achteraf, niet of ze ook wserkelijk groot waren of alleen maar in vergelijking met de rest. De boodschap ging als een windvlaag doorde klas en allee aandacht was ineens gericht op één punt. We hielden onze adem in en toen stak Jeske haar vinger op:
'Jeske?'
'Meneer, mag ik even naar de wc?'
Dat mocht normaal gesproken nooit, dat deed je maar in de pauze, maar iets op haar gezicht moet de leraar hebben overtuigd van de urgentie in dit geval, want ze mocht.
En toen?
Toen niks.
Ze liep de klas uit en keerde na een paar minuten weer terug, is all.
De beha van Jeske! Wow. Dat sprak tot de verbeelding want Jeske had grote borsten, de grootste van de klas. Ik weet nu, achteraf, niet of ze ook wserkelijk groot waren of alleen maar in vergelijking met de rest. De boodschap ging als een windvlaag doorde klas en allee aandacht was ineens gericht op één punt. We hielden onze adem in en toen stak Jeske haar vinger op:
'Jeske?'
'Meneer, mag ik even naar de wc?'
Dat mocht normaal gesproken nooit, dat deed je maar in de pauze, maar iets op haar gezicht moet de leraar hebben overtuigd van de urgentie in dit geval, want ze mocht.
En toen?
Toen niks.
Ze liep de klas uit en keerde na een paar minuten weer terug, is all.
dinsdag 21 februari 2012
107. Eén geschiedenisleraar: Derwigh
Net zoals er (eigenlijk) maar één leraar Nederlands rondliep (zie nummer 105), zo was er ook maar één leraar geschiedenis en dat was Derwigh. Ik heb ooit geschiedenis gehad van De Haan, meen ik mij te herinneren, maar dat was allemaal niks. Geschiedenis, dat was Derwigh.
Aardige man. Vriendelijk en kalend en een beetje verlegen. Wilde ooit van Gaby van der Aa, veruit het mooiste meisje in de klas, weten hoe groot zij dacht dat een bepaald leger was geweest. Zal wel van Napoleon geweest zijn, die enorme legers als gevolg van de levée en masse.
Dus hij zei, vriendelijk naar haar overbuigend:
'Nou, hoe groot, schat je?'
Tja, die spatie tussen 'schat' en 'je', die ontging ons even, en Gaby ook, dus die zei, beetje lacherig: "Schatje?'
En Derwigh kreeg een kop als vuur, werkelijk donkerrood werd hij.
Wij lachen natuurlijk.
Aardige man. Vriendelijk en kalend en een beetje verlegen. Wilde ooit van Gaby van der Aa, veruit het mooiste meisje in de klas, weten hoe groot zij dacht dat een bepaald leger was geweest. Zal wel van Napoleon geweest zijn, die enorme legers als gevolg van de levée en masse.
Dus hij zei, vriendelijk naar haar overbuigend:
'Nou, hoe groot, schat je?'
Tja, die spatie tussen 'schat' en 'je', die ontging ons even, en Gaby ook, dus die zei, beetje lacherig: "Schatje?'
En Derwigh kreeg een kop als vuur, werkelijk donkerrood werd hij.
Wij lachen natuurlijk.
zaterdag 18 februari 2012
106. Gevallen vrouw! Dikke pret.
Marieke van Nimweghe, ze schrijf je dat geloof ik. Een middeleeuws spel. Eligh liep er mee weg en droeg het ons voor, vol frivole pirouettes - met zijn logge lichaam. Marieke werd door de duivel verleid (een soort loverboy) en ging als gevallen vrouw met hem op pad. Naar Antwerpen meen ik, en wij waren nog net te bleu om te denken 'good for you, een paar wilde jaren'. Maar Marieken was niet helemaal verloren want ze behield de eerste letter van haar oude naam, ze noemde zich in haar 'walk on the wild side' Emmeken. De M van haar oude naam, de M van Maria!
Eligh kon er helemaal lyrisch over worden en stak ons aan met zijn enthousiasme. En omdat onze barakken vlakbij een kerk stonden (Broekhoven 1, staat er nog steeds) werd zijn voordracht soms begeleid door luide kerkklokken - als er een begrafenis was of zo. Zonder aarzeling nam hij deze boodschap van boven op in zijn relaas - wat tot een gedempt applaus leidde in de klas.
Zijn enthousiasme en inzet hadden ook een keerzijde: hij kon hard en onverbiddelijk zijn als je niet oplette. Als iemand zijn begeesterde betogen verstoorde met kletsen, dan was hij buitenproportioneel streng. Je moest er uit, en wel meteen! En je moest drie jaar lang elke vrije middag terugkomen of zoiets.
Wow, bij Eligh uit de les gestuurd worden, dat wilde je niet melden bij conrector Snoeren.
Eligh kon er helemaal lyrisch over worden en stak ons aan met zijn enthousiasme. En omdat onze barakken vlakbij een kerk stonden (Broekhoven 1, staat er nog steeds) werd zijn voordracht soms begeleid door luide kerkklokken - als er een begrafenis was of zo. Zonder aarzeling nam hij deze boodschap van boven op in zijn relaas - wat tot een gedempt applaus leidde in de klas.
Zijn enthousiasme en inzet hadden ook een keerzijde: hij kon hard en onverbiddelijk zijn als je niet oplette. Als iemand zijn begeesterde betogen verstoorde met kletsen, dan was hij buitenproportioneel streng. Je moest er uit, en wel meteen! En je moest drie jaar lang elke vrije middag terugkomen of zoiets.
Wow, bij Eligh uit de les gestuurd worden, dat wilde je niet melden bij conrector Snoeren.
Labels:
Cobbenhagencollege,
dependancepauluslyceum,
eligh
vrijdag 17 februari 2012
105. Piet Eligh
Er waren natuurlijk een hoop leraren op de dependance van het Pauluslyceum / later Cobbenhagen College, - maar tegelijkertijd ook niet.
Leraren Nederlands bijvoorbeeld. We hebben ooit les gehad van Pijnenburg, dat was hemeltergend saai. En van Maarse, die had ook een moeilijke start in het onderwijs. Maar iedereen wist dat er (eigenlijk) maar één leraar Nederlands was op de hele school: Piet Eligh.
Een unicum en toen hij lesgaf aan ons was hij bezig te promoveren op Marieke van Nimeghen of hoe je dat ook schrijft. Ja, hij wist dat wel natuurlijk. Onge-evenaard, Eligh. Waarschijnlijk is hij de oorzaak dat ik zo dol raakte op taal (kan ook aan mijn moeder gelegen hebben). In de vierde klas was hij onze klasseleraar en kocht ik voor zijn verjaardag een fles wijn en een boek (Hugo Raes, De Lotgevallen). Ah, wat was hij vereerd.
'Ik zal het één lezen onder het genot van het ander', zei hij triomfantelijk.
Eligh droeg voor. De hele Nederlandse literatuur droeg hij voor terwijl hij daar helemaal het figuur niet voor was want in alle eerlijkheid moet je zeggen dat hij er niet uitzag. Van middelbare leeftijd, brilletje, buikje, slecht zittende pakken. Olijke oogjes, dat wel. Pretoogjes. Kraaloogjes die glinsterden achter zijn brilleglazen. Echte shows gaf hij en daar kreeg hij een droge keel van en dan zei hij tegen een jongen op de eerste bank:
'Zeg kerel, ga jij eens een kopje koffie voor mij halen bij Toon.'
Toon was de concierge en dat deed je dan, verguld met die eervolle opdracht.
Ik herinner me veel uitspraken van Eligh, en ook als het niet klopt wat doet het ertoe want niemand kan dat nog corrigeren. Over de dichter Bloem, zijn gedicht Het verlangen. Eligh: de dichter kan zich niet neerleggen bij het leven zoals het is. Want ja, zo zit het leven in elkaar jongens en meisjes: op een gegeven moment moet iedereen genoegen nemen met wat hij heeft: dat huis, die auto, die vrouw. Maar de dichter kan dat niet, die wil steeds meer, steeds verder, steeds anders.'
Dat maakte toen wel indruk op me - ja, dat haal je de koekoek, daarom weet ik het nog natuurlijk.
Leraren Nederlands bijvoorbeeld. We hebben ooit les gehad van Pijnenburg, dat was hemeltergend saai. En van Maarse, die had ook een moeilijke start in het onderwijs. Maar iedereen wist dat er (eigenlijk) maar één leraar Nederlands was op de hele school: Piet Eligh.
Een unicum en toen hij lesgaf aan ons was hij bezig te promoveren op Marieke van Nimeghen of hoe je dat ook schrijft. Ja, hij wist dat wel natuurlijk. Onge-evenaard, Eligh. Waarschijnlijk is hij de oorzaak dat ik zo dol raakte op taal (kan ook aan mijn moeder gelegen hebben). In de vierde klas was hij onze klasseleraar en kocht ik voor zijn verjaardag een fles wijn en een boek (Hugo Raes, De Lotgevallen). Ah, wat was hij vereerd.
'Ik zal het één lezen onder het genot van het ander', zei hij triomfantelijk.
Eligh droeg voor. De hele Nederlandse literatuur droeg hij voor terwijl hij daar helemaal het figuur niet voor was want in alle eerlijkheid moet je zeggen dat hij er niet uitzag. Van middelbare leeftijd, brilletje, buikje, slecht zittende pakken. Olijke oogjes, dat wel. Pretoogjes. Kraaloogjes die glinsterden achter zijn brilleglazen. Echte shows gaf hij en daar kreeg hij een droge keel van en dan zei hij tegen een jongen op de eerste bank:
'Zeg kerel, ga jij eens een kopje koffie voor mij halen bij Toon.'
Toon was de concierge en dat deed je dan, verguld met die eervolle opdracht.
Ik herinner me veel uitspraken van Eligh, en ook als het niet klopt wat doet het ertoe want niemand kan dat nog corrigeren. Over de dichter Bloem, zijn gedicht Het verlangen. Eligh: de dichter kan zich niet neerleggen bij het leven zoals het is. Want ja, zo zit het leven in elkaar jongens en meisjes: op een gegeven moment moet iedereen genoegen nemen met wat hij heeft: dat huis, die auto, die vrouw. Maar de dichter kan dat niet, die wil steeds meer, steeds verder, steeds anders.'
Dat maakte toen wel indruk op me - ja, dat haal je de koekoek, daarom weet ik het nog natuurlijk.
Labels:
Cobbenhagen College,
Pauluslyceum,
Piet Eligh
dinsdag 31 januari 2012
104. De weg naar school - later
Die routebeschrijving hiervóór was vanaf de Trompstraat naar het Stuyvesantplein. Toen ik zestien was verhuisden we naar de Tobias Asserlaan: tilburg west, vlakbij de Westermarkt.
Ik zal die route hier niet op dezelfde manier beschrijven want ik wil niet ook de laatste lezer wegjagen, maar wat wel leuk was: korte tijd heb ik een brommer gehad, een Kapteijn Mobylette (naast een Puch of een Tomos was dat de enige brommer die je met goed fatsoen kon hebben) en dan probeerde ik van thuis naar school te rijden zonder één keer het gas los te laten. Dat was niet echt heel gevaarlijk, want dat ding reed, met gas helemaal open en wind mee, nog geen veertig.
Lang heb ik hem niet gehad, overigens. Ik kreeg een vriendin in Steensel en bromde daar dus wekelijks heen (toch wel 40 km), maar een keer van terugkoms begaf hij het, in Hilvarenbeek. Ik heb hem tegen de kerk daar geparkeerd en nooit meer opgehaald. Fietsen was toch leuker, vond ik - maar niet naar Steensel natuurlijk.
Het Cobbenhagencollege gaf les van 's morgens half negen tot één uur. Dan middagpauze tot twintig over twee: om tien voor half drie begon het middagprogramma van twee lessen, dus tot vier uur. Dat kostte nog een flinke sprint, elke dag: roetsj de school uit dwars door het centrum naar tilburg west. Brood eten. En hup terug. Ik weet nog dat Greet Clijssen mij daarom bewonderde, die woonde ook in west maar bleef wijselijk op school, tussen de middag. Een mooie blonde was dat, Greet.
Ik zal die route hier niet op dezelfde manier beschrijven want ik wil niet ook de laatste lezer wegjagen, maar wat wel leuk was: korte tijd heb ik een brommer gehad, een Kapteijn Mobylette (naast een Puch of een Tomos was dat de enige brommer die je met goed fatsoen kon hebben) en dan probeerde ik van thuis naar school te rijden zonder één keer het gas los te laten. Dat was niet echt heel gevaarlijk, want dat ding reed, met gas helemaal open en wind mee, nog geen veertig.
Lang heb ik hem niet gehad, overigens. Ik kreeg een vriendin in Steensel en bromde daar dus wekelijks heen (toch wel 40 km), maar een keer van terugkoms begaf hij het, in Hilvarenbeek. Ik heb hem tegen de kerk daar geparkeerd en nooit meer opgehaald. Fietsen was toch leuker, vond ik - maar niet naar Steensel natuurlijk.
Het Cobbenhagencollege gaf les van 's morgens half negen tot één uur. Dan middagpauze tot twintig over twee: om tien voor half drie begon het middagprogramma van twee lessen, dus tot vier uur. Dat kostte nog een flinke sprint, elke dag: roetsj de school uit dwars door het centrum naar tilburg west. Brood eten. En hup terug. Ik weet nog dat Greet Clijssen mij daarom bewonderde, die woonde ook in west maar bleef wijselijk op school, tussen de middag. Een mooie blonde was dat, Greet.
donderdag 26 januari 2012
103. De weg naar school.
Ik was twaalf en ging van de lagere (parochie-)school naar de HBS op het Stuyvesantplein, want ik kon, daar was men het wel over eens, 'goed leren.'
Oke, de HBS dus. Het Stuyvesantplein. Op de fiets. Met fiets aan de hand door het poortje (langs Pammie, de hond van de buren drie deuren verder die altijd luid blaffend tegen zijn hekje opsprong, hoe zachtjes je ook probeerde te doen, in het poortje) naar de Piet Heinstraat. Langs het betegelde plein dat aan het parochiehuis grensde en tussen de beide lagere scholen (jongensschool en meisjesschool) in lag. Naar links, vóór de meisjesschool af, langs de pastorie en de kerk, daar naar rechts. Heette dat ook Wassenaarlaan? Langs de zijkant van de kerk af, klein stukje maar, daarna linksaf de Ruyterstraat in tot de kruising van Nieuwstraat en Nazarethstraat (op de hoek van de stille frieteszaak van Den Buik).
Rechtsaf de Nieuwstraat in. daar stonden maar aan één kant huizen (van gaans: de rechterkant), de andere kant was één lange gemetselde bakstenen muur. Wat was daar achter? Geen idee. Jarenlang geen idee van gehad ook, me niet afgevraagd, maar het was de tuin van de nonnen van de oude dijk (Zusters van Liefde).
De Nieuwstraat kwam uit op de Varkensmarkt (van rechts kwam daar de Veestraat uit, onguur gebied). Bisschop Zwijsenstraat oversteken naar de Primus van Gilsstraat (op de hoek zat vroeger het magazijn van het Witgele Kruis waar tante Dinie jarenlang gewerkt had). Rechtsaf de Piusstraat in en meteen naar links (gevaarlijke oversteek): de Stevesantse straat.
Aan de rechterkant stond een mysterieus, schijnbaar verlaten gebouw, 'Wiley Drums'. Dan zag je rechts al de vuilgele barakken van onze school, maar je stond nu bij de 'hoofdingang'. Stelde niks voor maar wij mochten daar natuurlijk niet door naar binnen. Wij moesten met onze fiets naar rechts, geloof ik. En dan naar links het schoolterrein op.
In al die jaren dat ik daar gezeten heb (6 jaar, 1 keer blijven zitten), ben ik maar één keer te laat gekomen. Te laat komen paste gewoon niet bij me.
Oke, de HBS dus. Het Stuyvesantplein. Op de fiets. Met fiets aan de hand door het poortje (langs Pammie, de hond van de buren drie deuren verder die altijd luid blaffend tegen zijn hekje opsprong, hoe zachtjes je ook probeerde te doen, in het poortje) naar de Piet Heinstraat. Langs het betegelde plein dat aan het parochiehuis grensde en tussen de beide lagere scholen (jongensschool en meisjesschool) in lag. Naar links, vóór de meisjesschool af, langs de pastorie en de kerk, daar naar rechts. Heette dat ook Wassenaarlaan? Langs de zijkant van de kerk af, klein stukje maar, daarna linksaf de Ruyterstraat in tot de kruising van Nieuwstraat en Nazarethstraat (op de hoek van de stille frieteszaak van Den Buik).
Rechtsaf de Nieuwstraat in. daar stonden maar aan één kant huizen (van gaans: de rechterkant), de andere kant was één lange gemetselde bakstenen muur. Wat was daar achter? Geen idee. Jarenlang geen idee van gehad ook, me niet afgevraagd, maar het was de tuin van de nonnen van de oude dijk (Zusters van Liefde).
De Nieuwstraat kwam uit op de Varkensmarkt (van rechts kwam daar de Veestraat uit, onguur gebied). Bisschop Zwijsenstraat oversteken naar de Primus van Gilsstraat (op de hoek zat vroeger het magazijn van het Witgele Kruis waar tante Dinie jarenlang gewerkt had). Rechtsaf de Piusstraat in en meteen naar links (gevaarlijke oversteek): de Stevesantse straat.
Aan de rechterkant stond een mysterieus, schijnbaar verlaten gebouw, 'Wiley Drums'. Dan zag je rechts al de vuilgele barakken van onze school, maar je stond nu bij de 'hoofdingang'. Stelde niks voor maar wij mochten daar natuurlijk niet door naar binnen. Wij moesten met onze fiets naar rechts, geloof ik. En dan naar links het schoolterrein op.
In al die jaren dat ik daar gezeten heb (6 jaar, 1 keer blijven zitten), ben ik maar één keer te laat gekomen. Te laat komen paste gewoon niet bij me.
zaterdag 14 januari 2012
102. Nora den Blanken
Eergister, donderdag 12 januari 2012, advertentie in de krant dat Nora den Blanken is overleden.
Nora! Die kende ik vroeger, als vriendin van mijn oudste zus Fieke toen die op de meao zat. Mooie meid. Wat zeg ik? Prachtige meid. Ver out of my league en bovendien 3 jaar ouder. Maar je kon er mee lachen en ze komt ook voor in het boek van Peter Jansen: het boek twie.
's Morgens kwam ze bij ons langs om mijn zus op te halen en samen naar school te fietsen en dan kreeg ik een briefje in mijn handen geduwd. Om af te geven op de HBS waar ik toen zat, op het Stuyvesantplein. Aan Boele, hoe heette die ook al weer met zijn voornaam? Ik denk Paul. Paul Boele.
Woonde in Goirle en was moeilijk te peilen, hippe vogel. Toen al: donkere bril, hoge, strak gesneden broeken, on-Brabants taalgebruik. En hij ging dus met Nora.
Nora woonde in de Primitiefstraat, dat was aan de andere kant van de Oerlesestraat en wij waren er trots op dat we zo'n moeilijk woord kenden. Later ontdekte ik dat het de Piet Retiefstraat was.
Haar ouders waren van indische afkomst, geloof ik. In elk gegal geen brabanders, want toen ik er eens aan de deur was (briefje afgeven? Ik weet het niet meer) en aan haar moeder die opendeed vroeg: 'Is jullie Nora thuis?', dreef die de spot met mijn woordgebruik (zonder dat ik het in de gaten had):
'Ons Nora?', vroeg ze met een sterke nadruk op 'ons'. 'Ja hoor, ons Nora is wel thuis.'
Weer die sterke benadrukking van 'ons'. Wat een raar mens, dacht ik.
Weer veel later begreep ik wat ze bedoelde.
Nora! Die kende ik vroeger, als vriendin van mijn oudste zus Fieke toen die op de meao zat. Mooie meid. Wat zeg ik? Prachtige meid. Ver out of my league en bovendien 3 jaar ouder. Maar je kon er mee lachen en ze komt ook voor in het boek van Peter Jansen: het boek twie.
's Morgens kwam ze bij ons langs om mijn zus op te halen en samen naar school te fietsen en dan kreeg ik een briefje in mijn handen geduwd. Om af te geven op de HBS waar ik toen zat, op het Stuyvesantplein. Aan Boele, hoe heette die ook al weer met zijn voornaam? Ik denk Paul. Paul Boele.
Woonde in Goirle en was moeilijk te peilen, hippe vogel. Toen al: donkere bril, hoge, strak gesneden broeken, on-Brabants taalgebruik. En hij ging dus met Nora.
Nora woonde in de Primitiefstraat, dat was aan de andere kant van de Oerlesestraat en wij waren er trots op dat we zo'n moeilijk woord kenden. Later ontdekte ik dat het de Piet Retiefstraat was.
Haar ouders waren van indische afkomst, geloof ik. In elk gegal geen brabanders, want toen ik er eens aan de deur was (briefje afgeven? Ik weet het niet meer) en aan haar moeder die opendeed vroeg: 'Is jullie Nora thuis?', dreef die de spot met mijn woordgebruik (zonder dat ik het in de gaten had):
'Ons Nora?', vroeg ze met een sterke nadruk op 'ons'. 'Ja hoor, ons Nora is wel thuis.'
Weer die sterke benadrukking van 'ons'. Wat een raar mens, dacht ik.
Weer veel later begreep ik wat ze bedoelde.
zaterdag 27 augustus 2011
101. De wereld wordt groter: naar het Stuyvesantplein!
Tot nu toe ging het vooral over de Trompstraat en zijn bewoners. Tot mijn zestiende hebben we daar gewoond, dus voor mij: kleuterschool, lagere school en vier jaar HBS.
Het vervolg van deze blog draait vooral om de HBS-tijd, neem ik mij voor. Als ik er te lang over nadenk begin ik er niet aan, dus ik spring gewoon in het diepe: de HBS aan het Stuyvesantplein.
Omdat ik 'goed kon leren', zoals de uitdrukking toen luidde, mocht ik naar de HBS. en omdat het Pauluslyceum uit zijn jasje groeide werd dat de dependance aan het Stuyvesantplein: lichtgele barakken die net verlaten waren door het Theresia. Toen ik in de derde of vierde klas zat werden we een zelfstandige school: het Cobbenhagencollege. Toen ik in de vijfde zat werd er nieuwbouw gepleegd aan de Brittendreef.
Wij zouden daar geen les meer krijgen, werd ons verzekerd, en aan de eerstejaars die daar in noodgebouwen leskregen was verteld dat daar geen ouderejaars zouden komen vóór de nieuwbouw klaar was. Dus toen ik mij daar meldde omdat wij, de doubleurs van 5HBS-b, wiskundebijlessen kregen van Van Nistelrooij en die kon niet naar het Stuyvesantplein komen, wekte dat veel opzien op de speelplaats. Ik werd omringd door opgewonden bruggers die dachten dat ik de gymleraar was. Dat leek hun de enige verklaring voor mijn aanwezigheid - gymleraar was blijkbaar het summum van losbandigheid en de verklaring voor mijn lange haren.
Wisten zij veel. Gelukkig kwamen even later de andere doubleurs en konden wij in superieure afzondering afwachten tot Van Nistelrooij (een sympathieke kettingroker bijgenaamd 'D'n Baf') zich bij ons meldde.
Dat moet in 1971 geweest zijn.
Het vervolg van deze blog draait vooral om de HBS-tijd, neem ik mij voor. Als ik er te lang over nadenk begin ik er niet aan, dus ik spring gewoon in het diepe: de HBS aan het Stuyvesantplein.
Omdat ik 'goed kon leren', zoals de uitdrukking toen luidde, mocht ik naar de HBS. en omdat het Pauluslyceum uit zijn jasje groeide werd dat de dependance aan het Stuyvesantplein: lichtgele barakken die net verlaten waren door het Theresia. Toen ik in de derde of vierde klas zat werden we een zelfstandige school: het Cobbenhagencollege. Toen ik in de vijfde zat werd er nieuwbouw gepleegd aan de Brittendreef.
Wij zouden daar geen les meer krijgen, werd ons verzekerd, en aan de eerstejaars die daar in noodgebouwen leskregen was verteld dat daar geen ouderejaars zouden komen vóór de nieuwbouw klaar was. Dus toen ik mij daar meldde omdat wij, de doubleurs van 5HBS-b, wiskundebijlessen kregen van Van Nistelrooij en die kon niet naar het Stuyvesantplein komen, wekte dat veel opzien op de speelplaats. Ik werd omringd door opgewonden bruggers die dachten dat ik de gymleraar was. Dat leek hun de enige verklaring voor mijn aanwezigheid - gymleraar was blijkbaar het summum van losbandigheid en de verklaring voor mijn lange haren.
Wisten zij veel. Gelukkig kwamen even later de andere doubleurs en konden wij in superieure afzondering afwachten tot Van Nistelrooij (een sympathieke kettingroker bijgenaamd 'D'n Baf') zich bij ons meldde.
Dat moet in 1971 geweest zijn.
Labels:
Brittendreef,
Cobbenhagencollege,
Pauluslyceum
zondag 3 juli 2011
100. De titel verklaard
De grieks/egyptische dichter Kavafis (eind negentiende eeuw, sterft in 1933) heeft een prachtig gedicht gemaakt, tenminste, in vertaling is het prachtig, over een man (Antonius) die afscheid neemt van zijn jeugd (zijn god). Die jeugd wordt vertegenwoordigd door de stad alexandrie (waar kavafis geboren werd) en het gedicht spoort aan om daar op een waardige manier afscheid van te nemen. Ooit publiceerde Tamar (renate rubinstein) in haar column in vrij nederland een vertaling van een deel van het gedicht en dat heeft me toen erg getroffen. 'Groet haar dan, de stad alexandrie die je verliest', eindigde het.
Ik typ hier het stukje uit vrij nederland over, wonderlijk genoeg heb ik het krantenknipsel nog. Dateert uit de jaren 80!
Antonius door zijn god verlaten
Als je plotseling te middernacht hoort
dat een ongeziene stoet voorbijgaat
met verrukkelijke muziek en met het geluid van stemmen -
dan moet je niet het lot, dat je nu in de steek laat, en je werken
die mislukten, de plannen voor je leven,
die alle dwaling bleken, nuteloos bejammeren.
Als iemand die sinds lang bereid is, als een moedig man,
zo als het jou past, die zo'n stad waardig was,
moet je rustig naar het raam toe lopen
en luisteren met ontroering , maar niet met
het smeken en klagen van de laffen,
naa de klanken als een laatst genieten,
de verrukkelijke instrumenten van de geheime stoet,
en goet haar dan, de stad alexandrie die je verliest.
Tja, mijn jeugd ligt in de trompstraat en het leek me in het geheel niet misplaatst om die zuidtilburgse habitat te belichten onder het motto van een gedicht over alexandrie.
Voorlopig stop ik ermee, het wordt tenslotte vakantie. In september verder, want ik heb nog wel één of twee plannen.
Salut!
Ik typ hier het stukje uit vrij nederland over, wonderlijk genoeg heb ik het krantenknipsel nog. Dateert uit de jaren 80!
Antonius door zijn god verlaten
Als je plotseling te middernacht hoort
dat een ongeziene stoet voorbijgaat
met verrukkelijke muziek en met het geluid van stemmen -
dan moet je niet het lot, dat je nu in de steek laat, en je werken
die mislukten, de plannen voor je leven,
die alle dwaling bleken, nuteloos bejammeren.
Als iemand die sinds lang bereid is, als een moedig man,
zo als het jou past, die zo'n stad waardig was,
moet je rustig naar het raam toe lopen
en luisteren met ontroering , maar niet met
het smeken en klagen van de laffen,
naa de klanken als een laatst genieten,
de verrukkelijke instrumenten van de geheime stoet,
en goet haar dan, de stad alexandrie die je verliest.
Tja, mijn jeugd ligt in de trompstraat en het leek me in het geheel niet misplaatst om die zuidtilburgse habitat te belichten onder het motto van een gedicht over alexandrie.
Voorlopig stop ik ermee, het wordt tenslotte vakantie. In september verder, want ik heb nog wel één of twee plannen.
Salut!
zondag 26 juni 2011
99. Vette aardappel
We moesten netjes eten, met mes en vork zelfs. Rechtop zitten, Geen ellebogen op tafel. En zuinig zijn natuurlijk, ik heb dat al eerder geschreven. Maar we hadden ook temperament. Zelf kon ik erg driftig worden en ook zus Anneke was heetgebakerd. Op een dag voltrok zich een soort ramp die goed afliep.
De tafel stond midden in de huiskamer en we zaten er met vijven rondom: warme maaltijd. Anneke zat met haar rug naar de muur van de keuken toe, ik denk dat oudste zus Fieke naast haar zat. Er was een grap aan de gang, we hielden haar voor de gek of zoiets, en op een gegeven ogenblik vond zij het niet meer leuk. Dat was geen reden om ermee op te houden, integendeel.
De grap ging dus door en Anneke ging door het lint (lang voordat dat zo heette). Ze had haar lepel in haar hand en op die lepel lag een aardappel, gedompeld in jus. En wat deed ze? Ze dreigde te slaan met die lepel. Ik weet niet meer of dat serieus was of een deel van de grap, dat ze alleen maar deed alsof ze wilde slaan. Hoe het zij, ze tilde dus plots haar hand op met daarin de lepel met daarop die aardappel, en in de hitte van de strijd vergat ze de aardappel.
En dus? De aardappel vloog met een sierlijke boog door de kamer, tegen de muur achter haar, kwakte met een plof op het behang, bleef heel even plakken en gleed vervolgens naar beneden. Midden op het behang, wel twee meter van de vloer, bleef een dikke vette vlek achter en een dun spoor omlaag.
Dit was zo rampzalig en ongehoord dat we allemaal de slappe lach kregen.
De tafel stond midden in de huiskamer en we zaten er met vijven rondom: warme maaltijd. Anneke zat met haar rug naar de muur van de keuken toe, ik denk dat oudste zus Fieke naast haar zat. Er was een grap aan de gang, we hielden haar voor de gek of zoiets, en op een gegeven ogenblik vond zij het niet meer leuk. Dat was geen reden om ermee op te houden, integendeel.
De grap ging dus door en Anneke ging door het lint (lang voordat dat zo heette). Ze had haar lepel in haar hand en op die lepel lag een aardappel, gedompeld in jus. En wat deed ze? Ze dreigde te slaan met die lepel. Ik weet niet meer of dat serieus was of een deel van de grap, dat ze alleen maar deed alsof ze wilde slaan. Hoe het zij, ze tilde dus plots haar hand op met daarin de lepel met daarop die aardappel, en in de hitte van de strijd vergat ze de aardappel.
En dus? De aardappel vloog met een sierlijke boog door de kamer, tegen de muur achter haar, kwakte met een plof op het behang, bleef heel even plakken en gleed vervolgens naar beneden. Midden op het behang, wel twee meter van de vloer, bleef een dikke vette vlek achter en een dun spoor omlaag.
Dit was zo rampzalig en ongehoord dat we allemaal de slappe lach kregen.
zaterdag 18 juni 2011
98. Straatstenen
In de Trompstraat lagen.... ik weet niet hoe die stenen heten, klinkers?, bakstenen op hun kant zeg maar. Soort bruin van kleur, in een visgraatpatroon. Dat was dus gewoon. In de Oerlesestraat (de melkvrouw vertelde ooit: ik zeg altijd oerleseweg of oerleselaan, dat klinkt niet zo gewoontjes als 'straat') lagen vierkante, zwarte stenen, ze zagen er uit als een soort geperste steenkool, glinsterend ook. Werd spiegelglad als het regende, ik heb die stenen ook nooit ergens anders zien liggen. En je had Makadamwegen, als wijsneus-jongen wist je dat die ontworpen waren door een schot: MacAdam. Asfalt had de toekomst, maar er waren ook autowegen van grijsbruine betonnen platen, gevoegd met een soort zwart-glimmend teer. Als je in de auto zat (gebeurde niet vaak, wij hadden geen auto) dan hoorde je steeds die bonk van de voegen. Net als in de trein. Want (als wijsneus ...) vanwege de werking van staal als het warm of koud werd, konden ze de spoorrails niet naadloos tegen elkaar aan leggen, dan zou het opbollen in de zomer, door de hitte van de zonnestralen. Dus in de trein ging het kadoem kadoem kadoem. Vertrouwd geluid. Nu is dat niet meer, ze hebben inmiddels geleerd om de spoorrails wél naadloos tegen elkaar aan te leggen.
Ik kan me uit mijn jeugd geen enkel stoplicht herinneren bij ons de buurt, maar wel een oranje knipperbol (bestaan niet meer) bij een zebrapad op de Schouwburgring.
Ik kan me uit mijn jeugd geen enkel stoplicht herinneren bij ons de buurt, maar wel een oranje knipperbol (bestaan niet meer) bij een zebrapad op de Schouwburgring.
zaterdag 11 juni 2011
97. Friet met klappen.
Als je door de Trouwlaan fietst, van het St Anneplein naar de Oerlesestraat, dan kruis je eerst de Nieuwstraat en daarna krijg je links de Pastoor Vromansstraat. Je kijkt dan recht op de kerk van de Trouwlaan(Gerardus Majella). Aan de rechterkant van de Pastoor Vromansstraat (ik zeg dit zo nadrukkelijk omdat er later eentje kwam precies ertegenover, dus aan de linkerkant) was de eerste friettent die wij kenden (dus nog vóór D'n Buik zijn bakkerij ombouwde tot frietsalon, aan de Nieuwstraat).
Friet mét kostte toen een kwartje maar daar ga ik verder niet over zeuren, het gaat er om dat ik daar leerde dat slimheid niet altijd betekende dat je geen klappen kreeg.
Wij hadden zelden of nooit geld om friet te kopen, maar op een zondagmiddag had ik dat wel, ik weet niet meer hoe dat zat. Dus met een paar (brave) vriendjes naar Van de Pas. Een jaar of 8, 9 waren we. Bij Van de Pas stond een tafelvoetbalspel in de zaak, de stangen hadden aan de ene kant rubberen handvatten, aan de andere kant waren het gewoon stalen stangen.
Wij speelden niet maar ik stond tussen de vensterbank en het voetbalspel, een beetje krap. Toen kwam er een jongen binnen uit de schooiersbuurt, een beetje ouder dan wij. We kenden hem wel en we waren een beetje bang van hem. Terecht, bleek. Hij keek ons vals aan en ik controleerde tersluiks of de stang die het verst kon uitschuiven (die van de keeper) ook in de uiterste stand mijn borst niet kon raken. Dat kon niet.
De jongen deed een of andere bestelling, liep naar de andere kant van het voetbalspel, keek me vuil aan en duwde de stang van de keeper zo hard mogelijk naar mij toe. Tja, dat haalde dus verder niets uit en ik grijnsde naar hem. Dat had ik beter niet kunnen doen. Hij wachtte ons buiten op en toen kreeg ik me toch een pak slaag.
Friet mét kostte toen een kwartje maar daar ga ik verder niet over zeuren, het gaat er om dat ik daar leerde dat slimheid niet altijd betekende dat je geen klappen kreeg.
Wij hadden zelden of nooit geld om friet te kopen, maar op een zondagmiddag had ik dat wel, ik weet niet meer hoe dat zat. Dus met een paar (brave) vriendjes naar Van de Pas. Een jaar of 8, 9 waren we. Bij Van de Pas stond een tafelvoetbalspel in de zaak, de stangen hadden aan de ene kant rubberen handvatten, aan de andere kant waren het gewoon stalen stangen.
Wij speelden niet maar ik stond tussen de vensterbank en het voetbalspel, een beetje krap. Toen kwam er een jongen binnen uit de schooiersbuurt, een beetje ouder dan wij. We kenden hem wel en we waren een beetje bang van hem. Terecht, bleek. Hij keek ons vals aan en ik controleerde tersluiks of de stang die het verst kon uitschuiven (die van de keeper) ook in de uiterste stand mijn borst niet kon raken. Dat kon niet.
De jongen deed een of andere bestelling, liep naar de andere kant van het voetbalspel, keek me vuil aan en duwde de stang van de keeper zo hard mogelijk naar mij toe. Tja, dat haalde dus verder niets uit en ik grijnsde naar hem. Dat had ik beter niet kunnen doen. Hij wachtte ons buiten op en toen kreeg ik me toch een pak slaag.
zaterdag 4 juni 2011
96. Zachte heelmeesters....
In mijn vroege jeugd leek tandenpoetsen niet nodig (zie nummer 95): de schooltandarts zorgde ervoor dat je gebit op orde bleef, met zijn jaarlijkse controle. En verder ging je er onbewust vanuit dat je je ouders achterna ging: na je dertigste een kunstgebit, wel zo makkelijk. God was goed in deze mooiste van alle werelden!
Wie gooide roet in het eten? De tandarts zelf. Tenminste, in mijn geval deed hij dat. Daarbij geholpen door zijn assistente.
Mijn tandarts heette Smeets, een kleine, precieze man met een uitstekende reputatie tot ver over de landsgrenzen (op de HBS had ik kakvriendjes die een chalet hadden in zwitserland en die eens, bij een vakantie-spoedbezoek aan de tandarts daar, te horen kregen, toen er een ingewikkelde behandeling nodig was: u komt toch uit Nederland? Dan zou u daar eens naar Her Doktor Smeets moeten gaan, die heeft praktijk in tilburg, die kan dit ook).
Bij hem meldde ik mij twee keer per jaar voor controle, als je dat maar deed dan bleef je gesaneerd. De toestand van mijn gebit was verder zijn zorg, vond ik.
Hijzelf dacht daar anders over. Hij vond dat ik ook moest poetsen anders kwam er niets van terecht, en langzaam maar zeker kreeg hij genoeg van mijn nonchalance en zijn (daardoor vergeefse) zorg.
'Als je niet gaat poetsen dan verscheur ik je saneringskaart en dan zoek je het verder zelf maar uit', sprak hij mij streng toe - en KRATS, daar ging mijn kaart in stukken, door de hardvochtige handen van zijn assistente.
Hij keek verbaasd naar haar om en zij zei: 'Ja, dat hebt u vorige keer ook gezegd en dat heb ik op de kaart aangetekend, dus dan moet het nu ook maar gebeuren, dacht ik.'
Ik was perplex, en hij ook geloof ik, maar wat moest ik? Ik pakte mijn biezen, veel anders zat er niet op, en nam mij heilig voor om te gaan poetsen en dan met een schoon gebit terug te komen. Dat deed ik ook, poetsen poetsen poetsen, daarbij geholpen door 'Het Asfcheid' van Ivo Michiels, een Vlaamse schrijver die in dat boek een hoofdpersoon ten tonele voerde die al zijn Weltschmerz en teleurstelling wegpoetste, die zich zo verwoed wierp op het bewerkstelligen van een smetteloos gebit dat zijn tadnvlees ervan bloedde - wat hem grimmige voldoening schonk.
Een half jaar later meldde ik mij opnieuw bij Smeets. Met een boodschap van berouw en boetedoening en blinkend witte tanden als bewijs. Ik werd in genade aangenomen, gesaneerd verklaard en sidnsdien mankeer ik eigenlijk nooit meer iets aan mijn tanden. Ik ben dan ook als een bezwetene blijven poetsen.
Wie gooide roet in het eten? De tandarts zelf. Tenminste, in mijn geval deed hij dat. Daarbij geholpen door zijn assistente.
Mijn tandarts heette Smeets, een kleine, precieze man met een uitstekende reputatie tot ver over de landsgrenzen (op de HBS had ik kakvriendjes die een chalet hadden in zwitserland en die eens, bij een vakantie-spoedbezoek aan de tandarts daar, te horen kregen, toen er een ingewikkelde behandeling nodig was: u komt toch uit Nederland? Dan zou u daar eens naar Her Doktor Smeets moeten gaan, die heeft praktijk in tilburg, die kan dit ook).
Bij hem meldde ik mij twee keer per jaar voor controle, als je dat maar deed dan bleef je gesaneerd. De toestand van mijn gebit was verder zijn zorg, vond ik.
Hijzelf dacht daar anders over. Hij vond dat ik ook moest poetsen anders kwam er niets van terecht, en langzaam maar zeker kreeg hij genoeg van mijn nonchalance en zijn (daardoor vergeefse) zorg.
'Als je niet gaat poetsen dan verscheur ik je saneringskaart en dan zoek je het verder zelf maar uit', sprak hij mij streng toe - en KRATS, daar ging mijn kaart in stukken, door de hardvochtige handen van zijn assistente.
Hij keek verbaasd naar haar om en zij zei: 'Ja, dat hebt u vorige keer ook gezegd en dat heb ik op de kaart aangetekend, dus dan moet het nu ook maar gebeuren, dacht ik.'
Ik was perplex, en hij ook geloof ik, maar wat moest ik? Ik pakte mijn biezen, veel anders zat er niet op, en nam mij heilig voor om te gaan poetsen en dan met een schoon gebit terug te komen. Dat deed ik ook, poetsen poetsen poetsen, daarbij geholpen door 'Het Asfcheid' van Ivo Michiels, een Vlaamse schrijver die in dat boek een hoofdpersoon ten tonele voerde die al zijn Weltschmerz en teleurstelling wegpoetste, die zich zo verwoed wierp op het bewerkstelligen van een smetteloos gebit dat zijn tadnvlees ervan bloedde - wat hem grimmige voldoening schonk.
Een half jaar later meldde ik mij opnieuw bij Smeets. Met een boodschap van berouw en boetedoening en blinkend witte tanden als bewijs. Ik werd in genade aangenomen, gesaneerd verklaard en sidnsdien mankeer ik eigenlijk nooit meer iets aan mijn tanden. Ik ben dan ook als een bezwetene blijven poetsen.
zaterdag 28 mei 2011
95. Tanden poetsen? Niet nodig!
Tanden poetsen, deden we dat wel in de jaren 50? Eigenlijk niet, geloof ik, of in elk geval: niet structureel. Op de lagere school kreeg je (twee keer per schooljaar?) tandcontrole / gebitsanering. We werden dan in busjes geladen, nou ja, dat klinkt cru maar het was wel gezellig. Dat wil zeggen, het zou gezellig geweest zijn als we niet naar de tandarts onderweg waren geweest. Ik weet niet zeker of iedereen mee moest of dat er al op school een eerste controle was en alleen de kinderen in het busje gingen die moesten worden behandeld. Ik denk het laatste. We werden afgeleverd bij een of andere tandheelkundige dienst en daar ging een tandarts onze gebitten te lijf. Deed zeer! Boren zeker, maar ook dat peuteren met zo'n gemeen scherp haakje tussen je tanden, dat was niet leuk.
We hadden weinig sjoege van de noodzaak van gebitsonderhoud. Eigenlijk denk ik dat de meesten er vanuit gingen dat je het beste al je tanden zo snel mogelijk kon laten trekken en een kunstgebit nemen, zoals immers al onze ouders hadden - dan was je van het gezeur af.
Het was dus huilen met de pet op, de mondhygiene. Ook vanwege die jaarlijkse controle, denk ik, want dat gaf het idee dat je niet hoefde te poetsen - de tandarts zorgde immers voor je gebit. Ik herinner me dat onze tandarts (Smeets) bij mij vier melkkiezen trok - wow, grote bloedende wond in mijn mond. Maar dat werd goedgemaakt doordat ik van terugkoms van ons moeder lekker snoep mocht kopen.
We hadden weinig sjoege van de noodzaak van gebitsonderhoud. Eigenlijk denk ik dat de meesten er vanuit gingen dat je het beste al je tanden zo snel mogelijk kon laten trekken en een kunstgebit nemen, zoals immers al onze ouders hadden - dan was je van het gezeur af.
Het was dus huilen met de pet op, de mondhygiene. Ook vanwege die jaarlijkse controle, denk ik, want dat gaf het idee dat je niet hoefde te poetsen - de tandarts zorgde immers voor je gebit. Ik herinner me dat onze tandarts (Smeets) bij mij vier melkkiezen trok - wow, grote bloedende wond in mijn mond. Maar dat werd goedgemaakt doordat ik van terugkoms van ons moeder lekker snoep mocht kopen.
zondag 22 mei 2011
94. Opgewekt ingeweckt
Wecken, dat deed ons moeder ook, tenminste toen we nog in de Trompstraat woonden. Tja, wie weet nog wat wecken is? Het was een heel procédé en het kwam vóór het conservenblikje. Wecken was een manier om fruit/groente te bewaren tijdens de winter, geloof ik. Dat fruit moest dan eerst bewerkt worden: appels geschild, gekookt?, tot appelmoes verwerkt? Ik schiet hopeloos tekort hier, van koken weet ik zo goed als niets, maar ik herinner me wel dat het een hele operatie was, dat er enorme hoeveelheden fruit/groente/appels/rabarber/peren? doorheen gingen, dat de keuken dagenlang witstond van de damp en dat de voltooiing enigszins heikel was, ik geloof dat ons moeder daar een beetje bang van was. De appelmoes ging in een weckfles (eigenlijk een soort pot, een dikke, glazen pot met een dikke rand met daarop weer een kleine, smalle rand) en die weckfles daar moest dan een deksel op, ook van glas, een soort glazen theeschoteltje, je ziet ze nu nog wel in nostalgiewinkels liggen. Met een richel. Die deksel paste natuurlijk precies op de weckfles, ja, dat ws niet toevallig. Tussen de deksel en de fles moest een rode, rubberen ring en de fles moest vacuum worden.
Hoe ging dat? Dat was precies het stukje waar ons moeder niets van moest hebben want het ging met iets, spiritus misschien, daar moest je een paar druppels van insprenkelen en dan moest je dat aansteken zodat het ontplofte, woesj, en in diezelfde beweging moest de deksel erop. De 'explosie' verbruikte alle zuurstof ('lucht' zeiden wij) en dan drukte de luchtdruk de deksel op de pot, met de rubberen ring als buffer zodat het niet ging splinteren. Als je hem open moest maken, peuterde je met je mespunt een beetje in die rubberen ring, net zo lang tot er lucht bij kwam en kwam het deksel met een zucht los.
In de winter stonden de kelderplanken vol met rijen weckflessen, maar ik kan me eigenlijk niet herinneren dat we de inhoud ervan ooit aten. Wel dat je zo'n fles openmaakte en soms was het dan mislukt, het wecken, dan zat er schimmel op. Van die grote, groengele ogen. Die schepten we er dan gewoon vanaf, want eten weggooien, dat deden wij niet.
Hoe ging dat? Dat was precies het stukje waar ons moeder niets van moest hebben want het ging met iets, spiritus misschien, daar moest je een paar druppels van insprenkelen en dan moest je dat aansteken zodat het ontplofte, woesj, en in diezelfde beweging moest de deksel erop. De 'explosie' verbruikte alle zuurstof ('lucht' zeiden wij) en dan drukte de luchtdruk de deksel op de pot, met de rubberen ring als buffer zodat het niet ging splinteren. Als je hem open moest maken, peuterde je met je mespunt een beetje in die rubberen ring, net zo lang tot er lucht bij kwam en kwam het deksel met een zucht los.
In de winter stonden de kelderplanken vol met rijen weckflessen, maar ik kan me eigenlijk niet herinneren dat we de inhoud ervan ooit aten. Wel dat je zo'n fles openmaakte en soms was het dan mislukt, het wecken, dan zat er schimmel op. Van die grote, groengele ogen. Die schepten we er dan gewoon vanaf, want eten weggooien, dat deden wij niet.
zaterdag 14 mei 2011
93. Eerste communie
Ja, je eerste communie, die doe je, als je een vroom jongetje bent van zes. Of van zeven, dat weet ik niet meer. De eerste klas van de lagere school, ik was natuurlijk zes toen ik daarin kwam, maar meteen in oktober werd ik zeven. En wanneer deed je je communie? Hemelvaart? Ja, dus ik was zeven. En het viel behoorlijk tegen.
Wat wel weer leuk was, was dat ik een pak kreeg en dat we dat met z'n drie-en gingen kopen: papa, mama en ik. Gewoon op een doordeweekse dag naar de stad, onze papa had er een vrije middag voor genomen, iets wat ook al nooit gebeurde. Het draaide natuurlijk uit op C&A want de rest van de winkels was te duur, maar toch, het was speciaal en de verkoper deed zijn best. Ik een pak dus, met een korte broek en een strikje, ik denk dat het rood was. En óp naar mijn eerste heilige communie, zoals het officieel heette. Eerst moest er gerepeteerd worden met de hele klas en ook met de eerste klas van de meisjesschool erbij, want het moest wél goed verlopen. Aan dat soort rituelen hechtte de kerk veel waarde: het moest een mooie performance worden dus alles werd strak geregisseerd door de kapelaan-van-dienst: .
hoe we de kerk binnen moesten lopen (langzaam, in een rij, met gevouwen handen), in welke banken we moesten gaan zitten, wanneer we moesten opstaan, door het middenpad naar voren lopen, knielen op de communiebank, ogen sluiten, gezicht omhoog heffen, mond open, tong uitsteken - en daar legde de priester dan de heilige hostie op. Kauwen, doorslikken, opstaan, via het zijpad terug naar je bank en onderweg niemand aankijken, knielen, handen voor je gezicht slaan en zo vijf minuten blijven zitten. Dan was het klaar.
Wat?
Dat bedoelde ik met dat het tegenviel. Op een of andere manier had ik verwacht dat ons een soort verlichting ten deel zou vallen, dat god zich persoonlijk aan ons zou openbaren zodat je wist dat het goed zat, maar niets van dat alles. De officiele communie ging net zoals de repetities: perfect, maar er gebeurde niets. Geen donder geen bliksem geen opengescheurde tempelvoorhang. Anticlimax.
En toen ik vervolgens als misdienaar zes jaar lang achter de schermen van dat amateurtoneel had gekeken, wist ik het zeker: god bestaat niet en dat hele geloof is ergerlijke flauwekul.
Wat wel weer leuk was, was dat ik een pak kreeg en dat we dat met z'n drie-en gingen kopen: papa, mama en ik. Gewoon op een doordeweekse dag naar de stad, onze papa had er een vrije middag voor genomen, iets wat ook al nooit gebeurde. Het draaide natuurlijk uit op C&A want de rest van de winkels was te duur, maar toch, het was speciaal en de verkoper deed zijn best. Ik een pak dus, met een korte broek en een strikje, ik denk dat het rood was. En óp naar mijn eerste heilige communie, zoals het officieel heette. Eerst moest er gerepeteerd worden met de hele klas en ook met de eerste klas van de meisjesschool erbij, want het moest wél goed verlopen. Aan dat soort rituelen hechtte de kerk veel waarde: het moest een mooie performance worden dus alles werd strak geregisseerd door de kapelaan-van-dienst: .
hoe we de kerk binnen moesten lopen (langzaam, in een rij, met gevouwen handen), in welke banken we moesten gaan zitten, wanneer we moesten opstaan, door het middenpad naar voren lopen, knielen op de communiebank, ogen sluiten, gezicht omhoog heffen, mond open, tong uitsteken - en daar legde de priester dan de heilige hostie op. Kauwen, doorslikken, opstaan, via het zijpad terug naar je bank en onderweg niemand aankijken, knielen, handen voor je gezicht slaan en zo vijf minuten blijven zitten. Dan was het klaar.
Wat?
Dat bedoelde ik met dat het tegenviel. Op een of andere manier had ik verwacht dat ons een soort verlichting ten deel zou vallen, dat god zich persoonlijk aan ons zou openbaren zodat je wist dat het goed zat, maar niets van dat alles. De officiele communie ging net zoals de repetities: perfect, maar er gebeurde niets. Geen donder geen bliksem geen opengescheurde tempelvoorhang. Anticlimax.
En toen ik vervolgens als misdienaar zes jaar lang achter de schermen van dat amateurtoneel had gekeken, wist ik het zeker: god bestaat niet en dat hele geloof is ergerlijke flauwekul.
Labels:
eerste heilige communie,
tilburg,
tilburg jaren 50
Abonneren op:
Posts (Atom)