God zag ons, natuurlijk. All the time. Ik herinner me afbeeldingen van een driehoek met daarin een oog, die precies dat wilde zeggen: god ziet je, altijd.
Het boze oog, denk je achteraf.
Zo rond mijn twaalfde, dertiende, heb ik afscheid genomen van die hele santekraam. Het kwam me opeens zo onwaarschijnlijk voor, dat gedoe. Een man met een baard in een bizar kostuum die met zijn rug naar een volle zaal (toen nog wel) onverstaanbare formules en beweringen mompelt en vreemde gebaren maakt en dan brood uitdeelt dat het lichaam en bloed van christus is. (Is. Niet: symboliseert. Er zijn er wel voor mindere ketterij op de brandstapel beland.) En iedereen knikt. Amen. Hoe dom kun je zijn?
(En Yoeri Gagarin, de eerste astronaut die terugkwamen zei ik heb god nergens gezien, dat vond ik ook wel een sterke.)
Maar misdienaar van mijn zesde tot mijn twaalfde, dat was leuk. Vooral de latijnse gebeden, dat je die van buiten leerde en dan werd overhoord door de kapelaan tot het feilloos was (maar nog steeds niets betekende), je voelde je toch speciaal, ingewijd. Het credo in het latijn, ik kan het nog steeds opdreunen, feilloos. Kapelaan Wilbert zou trots op me zijn.
donderdag 29 juli 2010
woensdag 28 juli 2010
50. 'Dat hoort niet'
De jaren 50 waren ook de jaren van logeren. De familie van onze pa uit Haarlem kwam vaak deze kant op. En wij gingen die kant op voor vakantie (daarover later meer). Die logeerpartijen gingen soms gepaard met hindernissen, want waar moest iedereen slapen? Zo kwam neef Han een paar dagen op bezoek met zijn verloofde Wil. (Van Haarlem naar Tilburg dat was een hele reis, dat deed je niet voor één dag op en neer.)
Tja. Wij, de kinderen, wisten natuurlijk meteen hoe dat moest met slapen: die konden toch mooi in het tweepersoonsbed van mijn zussen! Dat was toch ideaal?
Waarschijnlijk vonden Han en Wil dat ook, maar zo ging het natuurlijk niet gebeuren. En het probleem voor ons pap en smam was: hoe leg je dat uit?
De simpele oplossing was: niet. Je legt niks uit maar je roept gewoon de toverformule te hulp die luidt: dat hoort niet.
Die formule smoorde alle discussies in de Trompstraat in de kiem, want wij wisten allemaal: je deed zoals het hoorde.
Maar waarom hoorde dat niet? Zo ver vroegen wij niet door ('Het hoort niet en verder wil ik er niets meer over horen.'), thuis. Op school wel, vertelde de non die les gaf aan ons Anneke tegen mijn moeder: 'Ja, ik kreeg die vraag dwars door de klas, er komt bij ons een verloofd stel op bezoek en die mogen niet bij elkaar in één bed slapen van ons pap en ons mam. Snapt u dat nou?'
'Ach', had de non gezegd, 'Dat hoort nu eenmaal niet.'
'Waarom niet?'
'Dat mag pas als je getrouwd bent.'
Het raadsel was hiermee niet opgelost maar het was wel een stapje verder. Het had dus met trouwen te maken.
Waar Han en Wil geslapen hebben weet ik niet meer.
Tja. Wij, de kinderen, wisten natuurlijk meteen hoe dat moest met slapen: die konden toch mooi in het tweepersoonsbed van mijn zussen! Dat was toch ideaal?
Waarschijnlijk vonden Han en Wil dat ook, maar zo ging het natuurlijk niet gebeuren. En het probleem voor ons pap en smam was: hoe leg je dat uit?
De simpele oplossing was: niet. Je legt niks uit maar je roept gewoon de toverformule te hulp die luidt: dat hoort niet.
Die formule smoorde alle discussies in de Trompstraat in de kiem, want wij wisten allemaal: je deed zoals het hoorde.
Maar waarom hoorde dat niet? Zo ver vroegen wij niet door ('Het hoort niet en verder wil ik er niets meer over horen.'), thuis. Op school wel, vertelde de non die les gaf aan ons Anneke tegen mijn moeder: 'Ja, ik kreeg die vraag dwars door de klas, er komt bij ons een verloofd stel op bezoek en die mogen niet bij elkaar in één bed slapen van ons pap en ons mam. Snapt u dat nou?'
'Ach', had de non gezegd, 'Dat hoort nu eenmaal niet.'
'Waarom niet?'
'Dat mag pas als je getrouwd bent.'
Het raadsel was hiermee niet opgelost maar het was wel een stapje verder. Het had dus met trouwen te maken.
Waar Han en Wil geslapen hebben weet ik niet meer.
Labels:
opvoeding,
sexuele mores,
tilburg jaren 50
zondag 4 juli 2010
49. Gebakken spons.
Geen hondengezin maar een poezengezin. Veel katten hebben elkaar afgewisseld, steeds vergiftigd door omwonende duivenmelkers en volierehouders. Niet dat ze het speciaal op onze katten hadden voorzien, al dachten wij dat toen wel, maar gewoon om hun postduiven en kanaries te beschermen bakten ze stukjes spons in vet en strooiden dat rondom hun hokken. De katten waren er dol op, ze vraten het! Maar dan kregen ze er dorst van en als ze dronken dan gingen die sponjes in hun maag opzwellen tot ie knapte. Daarmee stierven ze een tamelijk gruwelijke dood die mijn zus en ik eens indringend meemaakten toen we een avond alleen thuis waren en de kat van dat jaar kermend binnen strompelde, met een raar gezwollen lijf en zich van de pijn geen raad wetend. Mauwend ging hij achter de bank liggen om te sterven, volslagen radeloos en in tranen hurkten wij bij hem en zagen hem in een erg lang halfuur sterven. Drama!
Er werd ook gefluisterd dat er kattenneppers waren in de buurt, maar wat voor afzichtelijke en schrikwekkende beulen we ons daarbij moesten voorstellen, daar begonnen we liever niet aan.
Er werd ook gefluisterd dat er kattenneppers waren in de buurt, maar wat voor afzichtelijke en schrikwekkende beulen we ons daarbij moesten voorstellen, daar begonnen we liever niet aan.
48. Ademo.
De moderne tijd klopte aan de deur - vaak op muzikale voeten. Oude herinneringen zijn Anneke Gronloh met Brandend Zand en Willeke Alberti met Spiegelbeeld. Dat was de tijd dat de Beatles nog apen waren. Oh, en Ademo natuurlijk. Ademo! Vous permettez monsieur. Paula, dolce Paula. Quand les roses. En als je dan eenmaal echt op de hoogte was zei je geen Ademo, maar Adámo.
Salvatore. Met al die broertjes en zusjes op de teevee. Tranentrekken. Hij sprak zelfs een beetje Nederlands.
In Trompstraat 7 kwam een platenpot. Elke week legden we allemaal een dubbeltje in en als er genoeg was voor een singeltje mochten we dat om de beurt uitkiezen.
Pick up! Eerst een tweedehandsje van ome Jo, een soort kofferpick up. Daarna kochten we zo´n stereomeubel van Philips, spuuglelijk, op pootjes, met een fineerklep die je naar beneden toe opentrok en dan keek je in het vak waar in de bodem een draaitafel zat. Tamelijk zware, handmatige bediening met knoppen die je echt om moest zetten en die dan een harde klik gaven. 45 toeren, 33 toeren en, en dat was toen al nostalgisch, ook 78 toeren.
Ik kreeg het tweedehandsje voor op mijn kamer en de eerste elpee die ik kocht van was Van Morisson, the story of them. Die heb ik nog, ook op mijn mp3 speler.
Salvatore. Met al die broertjes en zusjes op de teevee. Tranentrekken. Hij sprak zelfs een beetje Nederlands.
In Trompstraat 7 kwam een platenpot. Elke week legden we allemaal een dubbeltje in en als er genoeg was voor een singeltje mochten we dat om de beurt uitkiezen.
Pick up! Eerst een tweedehandsje van ome Jo, een soort kofferpick up. Daarna kochten we zo´n stereomeubel van Philips, spuuglelijk, op pootjes, met een fineerklep die je naar beneden toe opentrok en dan keek je in het vak waar in de bodem een draaitafel zat. Tamelijk zware, handmatige bediening met knoppen die je echt om moest zetten en die dan een harde klik gaven. 45 toeren, 33 toeren en, en dat was toen al nostalgisch, ook 78 toeren.
Ik kreeg het tweedehandsje voor op mijn kamer en de eerste elpee die ik kocht van was Van Morisson, the story of them. Die heb ik nog, ook op mijn mp3 speler.
zondag 27 juni 2010
47. Rode oortjes
Begin jaren '60 of misschien wel eind jaren '50: de West side story. Oh wat een film. Ja, ik zag hem natuurlijk pas veel later maar mijn zussen waren er weg van. Oh die Tony. En dat dansen. En die muziek. En dat zij dan... En dat hij dan...
Zelfs ons moeder vond het mooi en aangestoken door het enthousiasme van mijn zussen en ook omdat het sinterklaas werd besloot zij tot iets wat nog niet eerder vertoond was: ze kocht een boek. (Er werd veel gelezen bij ons thuis maar altijd uit de bubeloteek, zoals ik dat aanvankelijk noemde. Zie hierna.) Het boek van de film. Met foto's uit de film. Zonder het eerst zelf te lezen en dat bleek een vergissing.
Het boekje eenmaal in huis werd verslonden door de meiden, giechelend en opgewonden en verhit fluisterend en met rode oortjes. Zodanig dat ik er zelf ook eens in snuffelde en jawel, hele ruige stukjes tekst aantrof.
Ik meen me te herinneren dat het zo ging: eerst knipte ons mam er een aantal aanstootgevende bladzijden uit, daarna verdween het hele boekje uit huize Sanberg. De moderne tijd: hij klopte aan onze deur maar we deden niet altijd open.
Zelfs ons moeder vond het mooi en aangestoken door het enthousiasme van mijn zussen en ook omdat het sinterklaas werd besloot zij tot iets wat nog niet eerder vertoond was: ze kocht een boek. (Er werd veel gelezen bij ons thuis maar altijd uit de bubeloteek, zoals ik dat aanvankelijk noemde. Zie hierna.) Het boek van de film. Met foto's uit de film. Zonder het eerst zelf te lezen en dat bleek een vergissing.
Het boekje eenmaal in huis werd verslonden door de meiden, giechelend en opgewonden en verhit fluisterend en met rode oortjes. Zodanig dat ik er zelf ook eens in snuffelde en jawel, hele ruige stukjes tekst aantrof.
Ik meen me te herinneren dat het zo ging: eerst knipte ons mam er een aantal aanstootgevende bladzijden uit, daarna verdween het hele boekje uit huize Sanberg. De moderne tijd: hij klopte aan onze deur maar we deden niet altijd open.
Labels:
sexuele moraal,
tilburg jaren 50,
west side story
46. Afzien
In de winter bevroor op je slaapkamer het water in de lampetkan (zie hiervoor) - in het hele huis was eigenlijk maar één warmtebron en dat was de grote kolenhaard in de huiskamer. Een glimmend, zwart, gietijzeren geval met mica-plaatjes in het deurtje: als je dat open deed keek je in de vlammen, met samengeknepen ogen tegen de hitte.
Er moesten kolen in en er moest gruis uit en dat ging niet vanzelf.
Naast de kachel stond de kolenkit, daarmee vulde je hem bij. Als de kolenkit leeg was moest iemand kolen gaan scheppen, dat was een gevreesd gebod 's avonds, want dan moest je in de kou in de donkerte naar het schuurtje dat vol spinnen zat die je niet zag (maar zij jou wel!) en dan voorovergebogen in de totale duisternis de kolenkit door de berg kolen in het hok halen. En dan met een volle kit (zwaar!) terug.
Voor de afvoer van sintels en gruis was de asla, onderin. Een zwarte la die je opentrok, maar dan moest je wel eerst 'husselen' of 'russelen': schudden met het rooster zodat de sintels en het gruis door het rooster in de asla vielen. Er was een speciale knop om te husselen. Daarna moest je de asla uit de kachel trekken maar dat hoefden wij als kinderen niet te doen. Te zwaar of te gevaarlijk of wat dan ook.
Gelukkig werd de kolenhaard al snel vervangen door een grote gashaard - van Bocal? Heerlijk, met opnieuw van die mica-deurtjes waar nu gloeiende stenen roosters achter zaten.
De eerste verwarming op onze slaapkamers, voor bij het studeren, waren van die blikken butagaskacheltjes die een eigenaardige lucht verspreiden (oftewel: ze stonken). Later kregen we gevelkacheltjes, die snorden gezellig maar het was wel een gedoe om ze aan te krijgen: je moest met zo'n hendeltje vonken en soms bleef je bezig.
Er moesten kolen in en er moest gruis uit en dat ging niet vanzelf.
Naast de kachel stond de kolenkit, daarmee vulde je hem bij. Als de kolenkit leeg was moest iemand kolen gaan scheppen, dat was een gevreesd gebod 's avonds, want dan moest je in de kou in de donkerte naar het schuurtje dat vol spinnen zat die je niet zag (maar zij jou wel!) en dan voorovergebogen in de totale duisternis de kolenkit door de berg kolen in het hok halen. En dan met een volle kit (zwaar!) terug.
Voor de afvoer van sintels en gruis was de asla, onderin. Een zwarte la die je opentrok, maar dan moest je wel eerst 'husselen' of 'russelen': schudden met het rooster zodat de sintels en het gruis door het rooster in de asla vielen. Er was een speciale knop om te husselen. Daarna moest je de asla uit de kachel trekken maar dat hoefden wij als kinderen niet te doen. Te zwaar of te gevaarlijk of wat dan ook.
Gelukkig werd de kolenhaard al snel vervangen door een grote gashaard - van Bocal? Heerlijk, met opnieuw van die mica-deurtjes waar nu gloeiende stenen roosters achter zaten.
De eerste verwarming op onze slaapkamers, voor bij het studeren, waren van die blikken butagaskacheltjes die een eigenaardige lucht verspreiden (oftewel: ze stonken). Later kregen we gevelkacheltjes, die snorden gezellig maar het was wel een gedoe om ze aan te krijgen: je moest met zo'n hendeltje vonken en soms bleef je bezig.
Labels:
gashaard,
kolenhaard,
tilburg jaren 50
zondag 20 juni 2010
45. 'Fijne keuken'
Uit eten gaan was een andere wereld - en bij elkaar eten ook. Ja, wel natuurlijk een vriendje dat bleef eten of dat je eens bij een vriendje bleef eten als het spelen lang duurde, maar dat was het wel. En ja: natuurlijk bleven later de vriendjes (een ander soort vriendjes) van mijn zussen eten, maar dat was echt later. Zoals dat nu gebeurt, dat je als gezin een bevriend stel te eten vraagt en dat er bijzonder gekookt wordt - een andere wereld. Buiten ons blikveld. Visite kwam op de thee of de koffie, 's morgens, 's middags of 's avonds. Vóór het eten gingen ze weg of ze kwamen na het eten.
Het eten was niet zoals nu, verfijnd van smaak en met speciale ingredienten. Het moest vooral genoeg zijn, dat je je buik vol had na het eten. 'Lekker' speelde veel minder een rol. en dan hadden wij het nog getroffen, want ons mam ging op een cursus 'fijne keuken', samen met Lucia Put. Eén avond in de week, ik denk in de huishoudschool aan de Elzenstraat. En gelachen dat ze hebben! Wij ook, wij kregen allerlei nieuwe gerechten. 'Hemelse modder', een uiterst machtig chocolade-toetje. Als je daar een bakje van op had, had je je buik echt wel vol. En bavarois. En gelatine-pudding. En 'broodje verschikkelijk'.
Maar voor de rest was het aardappels en groente, rijstepap en griesmeelpudding, boterhammen met beleg. Thee en melk. Ranja. En 's zondags snoep van 'ut zultwefke' (zie blog nummer 3). En snuf. Jawel; wij hadden snuf, ook wel zwart-wit geheten. Ik weet niet wat het was, maar het was poeder en je likte het uit een papiertje. Alsof je het op doktersrecept kreeg. En dat papiertje werd dan nat en klef en daar kon je later ook nog aan likken. Brr.
Het eten was niet zoals nu, verfijnd van smaak en met speciale ingredienten. Het moest vooral genoeg zijn, dat je je buik vol had na het eten. 'Lekker' speelde veel minder een rol. en dan hadden wij het nog getroffen, want ons mam ging op een cursus 'fijne keuken', samen met Lucia Put. Eén avond in de week, ik denk in de huishoudschool aan de Elzenstraat. En gelachen dat ze hebben! Wij ook, wij kregen allerlei nieuwe gerechten. 'Hemelse modder', een uiterst machtig chocolade-toetje. Als je daar een bakje van op had, had je je buik echt wel vol. En bavarois. En gelatine-pudding. En 'broodje verschikkelijk'.
Maar voor de rest was het aardappels en groente, rijstepap en griesmeelpudding, boterhammen met beleg. Thee en melk. Ranja. En 's zondags snoep van 'ut zultwefke' (zie blog nummer 3). En snuf. Jawel; wij hadden snuf, ook wel zwart-wit geheten. Ik weet niet wat het was, maar het was poeder en je likte het uit een papiertje. Alsof je het op doktersrecept kreeg. En dat papiertje werd dan nat en klef en daar kon je later ook nog aan likken. Brr.
Labels:
fijne keuken,
kookcursus,
tilburg jaren 50
44.Wie komt er op bezoek?
De weecee was buiten, genant om op te schrijven maar het was zoals het was. Feitelijk was het een echte plee, in een aanbouw aan de keuken die uitliep op een soort bijkeuken. In het tussenstuk was dus de weecee. Wel aangesloten op het riool maar geen doorspoeling - dat kon ook niet want dat zou bevriezen in de winter.
Eén van de eerste hygienische maatregelen die ik me herinner was de emmer water die naast de pot stond. Als je klaar was spoelde je daarmee door en dan vulde je hem weer, zodat de volgende een volle emmer aantrof.
Toen we een serre aan het huis lieten bouwen was de plee ineens binnenshuis, dat was in elk geval minder koud in de winter.
Een verhaal van ons moeder over haar jeugd in de Veestraat, zo rond 1925: 'Als er bezoek kwam dan haalden we echt weecee-papier bij de kruidenier op de hoek. Dat hadden we anders nooit. Als je dan afrekende dan vroeg ze nieuwsgierig: Oh, wie komt er op bezoek?'
Eén van de eerste hygienische maatregelen die ik me herinner was de emmer water die naast de pot stond. Als je klaar was spoelde je daarmee door en dan vulde je hem weer, zodat de volgende een volle emmer aantrof.
Toen we een serre aan het huis lieten bouwen was de plee ineens binnenshuis, dat was in elk geval minder koud in de winter.
Een verhaal van ons moeder over haar jeugd in de Veestraat, zo rond 1925: 'Als er bezoek kwam dan haalden we echt weecee-papier bij de kruidenier op de hoek. Dat hadden we anders nooit. Als je dan afrekende dan vroeg ze nieuwsgierig: Oh, wie komt er op bezoek?'
zondag 13 juni 2010
43. Binnenskamers
De huiskamer aan de Trompstraat was traditioneel ingericht - ja, dat schrijf ik nu wel maar hoe weet ik dat en hoe was dat dan?
Het was zo: in de voorkamer stonden gemakkelijke stoelen, in de achterkamer stond de grote tafel in het midden onder de lamp en dat liet niet veel ruimte meer over. De tafel stond op een bruine kokosmat, die lag op het zeil. Soms was er marsmuziek op de radio en dan marcheerde het hele gezin rond de tafel, pa voorop. Zoals wij dachten dat soldaatjes marcheerden. (Het was eigenlijk maar één kamer, maar toch spraken wij van voor- en achterkamer.)
De radio, dat was geen transistorradio of zo'n groot, duur buizentoestel, maar een klein bakelieten kastje aan de muur in de hoek van de kamer (rechtsachter): radio-distributie. Een soort kabel voordat er kabel was. Met een grote, ratelende knop waar nummers omheen stonden en daar moest je dan de de pijl van de knop op zetten: 1-2-3-4-5-6. Dat waren dus zenders. Hilversum 1, Hilversum 2, verder weet ik het niet. Maar het geluid was kraakhelder. De spanning, elke week vijf minuten, bij de afleveringen van Paulus de Boskabouter. Met de heks Eucalypta.
Maar erg vaak stond de radio niet aan, volgens mij. En hoe het 's avonds was weet ik natuurlijk niet, want ik moest om 7 uur naar bed.
Het was zo: in de voorkamer stonden gemakkelijke stoelen, in de achterkamer stond de grote tafel in het midden onder de lamp en dat liet niet veel ruimte meer over. De tafel stond op een bruine kokosmat, die lag op het zeil. Soms was er marsmuziek op de radio en dan marcheerde het hele gezin rond de tafel, pa voorop. Zoals wij dachten dat soldaatjes marcheerden. (Het was eigenlijk maar één kamer, maar toch spraken wij van voor- en achterkamer.)
De radio, dat was geen transistorradio of zo'n groot, duur buizentoestel, maar een klein bakelieten kastje aan de muur in de hoek van de kamer (rechtsachter): radio-distributie. Een soort kabel voordat er kabel was. Met een grote, ratelende knop waar nummers omheen stonden en daar moest je dan de de pijl van de knop op zetten: 1-2-3-4-5-6. Dat waren dus zenders. Hilversum 1, Hilversum 2, verder weet ik het niet. Maar het geluid was kraakhelder. De spanning, elke week vijf minuten, bij de afleveringen van Paulus de Boskabouter. Met de heks Eucalypta.
Maar erg vaak stond de radio niet aan, volgens mij. En hoe het 's avonds was weet ik natuurlijk niet, want ik moest om 7 uur naar bed.
42. Bruin
Met mooi weer en zeker in de eindeloze zomervakanties gingen we zwemmen. Wekenlang elke dag. met een abonnement op het zwembad had je verder niet veel nodig. Je rolde je zwembroek in je handdoek en dat rolletje ging onder je snelbinder. Klaar. (Pas later kwamen die rare badtassen, kokervormig met een rubberen voering en een brede veter door ringetjes aan de bovenkant en de voering die altijd losscheurde).
Hup, naar de Zouavenlaan: Oerlesestraat, Korvelplein, Berkdijk, Ringbaan West oversteken, Burgemeester Van de Mortelplein en dan was je er al: Zouavenlaan. Vóór de ingang een plein met enorme rijen fietsenbeugels. Triomfantelijk door de controle, zwaaiend met je abonnement (voor het kaartjesloket stond een lange rij). Zo'n merkwaardige ijzeren haak pakken en linksaf naar de jongenskleedhokjes (ja, de meisjes gingen ook zwemmen maar daar hadden wij, 8-9-10-11 jaar, niets mee van doen natuurlijk).
Als het een mooie zomer was gingen we elke dag en je werd zo bruin als een neger. Zonnebrandcreme? Dat was meer iets voor Amerikaanse filmsterren.
Hup, naar de Zouavenlaan: Oerlesestraat, Korvelplein, Berkdijk, Ringbaan West oversteken, Burgemeester Van de Mortelplein en dan was je er al: Zouavenlaan. Vóór de ingang een plein met enorme rijen fietsenbeugels. Triomfantelijk door de controle, zwaaiend met je abonnement (voor het kaartjesloket stond een lange rij). Zo'n merkwaardige ijzeren haak pakken en linksaf naar de jongenskleedhokjes (ja, de meisjes gingen ook zwemmen maar daar hadden wij, 8-9-10-11 jaar, niets mee van doen natuurlijk).
Als het een mooie zomer was gingen we elke dag en je werd zo bruin als een neger. Zonnebrandcreme? Dat was meer iets voor Amerikaanse filmsterren.
zondag 6 juni 2010
41. Uit eten?
Ik herinner me nog goed de opwinding die zich van ons hele gezin meester maakte toen mijn oudste zus met het plan kwam om buiten de deur te gaan eten. Samen met haar vriend Frank, in een restaurant. Ik wist niet eens wat een restaurant was! Dat had vast nog nooit iemand van ons gedaan: in een restaurant gaan eten. Dat het een chinees was maakte niks uit geloof ik, het idee zelf was veel vreemder dan dat het een chinees restaurant was.
Ik had er geen beeld bij, ik begreep gewoon niet wat ze bedoelde en wat ik me er bij moest voorstellen. Ergens anders eten kon natuurlijk wel, dat wist ik wel, ik was niet dom! Bij een vriendje of bij familie of zo, dat gebeurde vaak genoeg. Maar bij wildvreemden? Dan moesten die wel erg veel koken, als ze niet alleen zelf aten maar ook nog voor allerlei vreemde mensen. En dat je dan moest betalen, dat was ook gek. En als je naar de wc moest, hoe ging dat dan? Dan moest je helemaal naar huis? Het bleef een raadsel.
(De chinees, dat was natuurlijk tegenover het station, op de Spoorlaan.)
Ik had er geen beeld bij, ik begreep gewoon niet wat ze bedoelde en wat ik me er bij moest voorstellen. Ergens anders eten kon natuurlijk wel, dat wist ik wel, ik was niet dom! Bij een vriendje of bij familie of zo, dat gebeurde vaak genoeg. Maar bij wildvreemden? Dan moesten die wel erg veel koken, als ze niet alleen zelf aten maar ook nog voor allerlei vreemde mensen. En dat je dan moest betalen, dat was ook gek. En als je naar de wc moest, hoe ging dat dan? Dan moest je helemaal naar huis? Het bleef een raadsel.
(De chinees, dat was natuurlijk tegenover het station, op de Spoorlaan.)
40. Nog eentje voor boven de 18
Peettante jarig. Feest! Hoe zag een familiefeestje er in de jaren '50 uit?
Eten en drinken en roken: op de tafeltjes stonden feestelijke glaasjes met sigaretten (Golden Fiction, Lucky Strike, Peter Stuyvesant). Jenever voor de ooms, bier voor de neven. Bessenjenever voor de tantes, of jenever met een lepeltje suiker. Eerst taartjes en daarna bakjes met zoute pinda's.
Waarom was dat voor boven de 18?
Op dit feestje was ik als klein jongetje aan de verkeerde tafel geplant, tussen en stel verhitte nichten en tantes in, en één van die nichten, met een enorme boezem en een royaal décoletté, had na enkele glaasjes bessenjenever het hoogste woord. Ze vertelde dat ze vorige week op de radio iets had gehoord over borsten verkleinen - en dat leek haar wel wat. 'Dus ik zeg sjaak, sjaak, zeg ik, ik laat een stuk van m'n tieten afhalen. Zegt hij: agge ut mar loat. Dus ik zeg, Waarum nie? Vènde gij dè schon dan? En hij: Doarom hèk oe gevat.'
Mijn peettante Miep, sussend: 'Nou zeg, een beetje rustig kan ook wel. D'r zijn kinderen bij.'
De nicht, nog roder wordend en met haar schommelende boezem op mij gericht: 'Och wè, daor snapt ie toch niks van.'
Ze had gelijk: pas jaren later daagde het mij waar dit intrigerende gesprek over ging.
Eten en drinken en roken: op de tafeltjes stonden feestelijke glaasjes met sigaretten (Golden Fiction, Lucky Strike, Peter Stuyvesant). Jenever voor de ooms, bier voor de neven. Bessenjenever voor de tantes, of jenever met een lepeltje suiker. Eerst taartjes en daarna bakjes met zoute pinda's.
Waarom was dat voor boven de 18?
Op dit feestje was ik als klein jongetje aan de verkeerde tafel geplant, tussen en stel verhitte nichten en tantes in, en één van die nichten, met een enorme boezem en een royaal décoletté, had na enkele glaasjes bessenjenever het hoogste woord. Ze vertelde dat ze vorige week op de radio iets had gehoord over borsten verkleinen - en dat leek haar wel wat. 'Dus ik zeg sjaak, sjaak, zeg ik, ik laat een stuk van m'n tieten afhalen. Zegt hij: agge ut mar loat. Dus ik zeg, Waarum nie? Vènde gij dè schon dan? En hij: Doarom hèk oe gevat.'
Mijn peettante Miep, sussend: 'Nou zeg, een beetje rustig kan ook wel. D'r zijn kinderen bij.'
De nicht, nog roder wordend en met haar schommelende boezem op mij gericht: 'Och wè, daor snapt ie toch niks van.'
Ze had gelijk: pas jaren later daagde het mij waar dit intrigerende gesprek over ging.
zaterdag 29 mei 2010
39. Behind enemy lines… (1)
Lees eerst 39, dan 38 dan 37 dan 36.
Zaterdagmiddag, dat betekende: op pad met de verkenners (ja, tot mijn twaalfde was dat natuurlijk op pad met de welpen, maar daar gaat het nu niet over). Ik was? 13 of 14. De pastoor Vromanstroep waren wij, waarom weet ik niet, en ons honk was in de Wassenaarlaan, een aanbouw aan het parochiehuis (in de andere aanbouw zat de bibliotheek). Meestal gingen we op de fiets ergens heen, speelden daar het spel van die dag en fietsten in colonne weer terug, maar om een of andere reden waren we die dag te voet in de Beekse Bergen en gingen we in de loop van de middag te voet weer terug. Niet slim.
De Beekse Bergen was toen nog niet het strandbad dat het nu is, met camping en huisjes en kermis en safaripark, het was gewoon een open duinengebied ten zuidoosten van Tilburg en het was best een eind lopen dus ik snap niet dat we te voet waren.
De kortste weg terug was dwars door de Vogeltjesbuurt en dat was tricky, dat wisten we allemaal maar we waren moe en we hadden gen zin in een omweg dus daar gingen we, zo’n 15 jongens van 12-16 jaar, in slordige verkennersuniformen – wat kon ons gebeuren?
Dat zou snel blijken.
Zaterdagmiddag, dat betekende: op pad met de verkenners (ja, tot mijn twaalfde was dat natuurlijk op pad met de welpen, maar daar gaat het nu niet over). Ik was? 13 of 14. De pastoor Vromanstroep waren wij, waarom weet ik niet, en ons honk was in de Wassenaarlaan, een aanbouw aan het parochiehuis (in de andere aanbouw zat de bibliotheek). Meestal gingen we op de fiets ergens heen, speelden daar het spel van die dag en fietsten in colonne weer terug, maar om een of andere reden waren we die dag te voet in de Beekse Bergen en gingen we in de loop van de middag te voet weer terug. Niet slim.
De Beekse Bergen was toen nog niet het strandbad dat het nu is, met camping en huisjes en kermis en safaripark, het was gewoon een open duinengebied ten zuidoosten van Tilburg en het was best een eind lopen dus ik snap niet dat we te voet waren.
De kortste weg terug was dwars door de Vogeltjesbuurt en dat was tricky, dat wisten we allemaal maar we waren moe en we hadden gen zin in een omweg dus daar gingen we, zo’n 15 jongens van 12-16 jaar, in slordige verkennersuniformen – wat kon ons gebeuren?
Dat zou snel blijken.
Labels:
tilburg jaren 50,
trouwlaan,
verkenners,
vogeltjesbuurt
38. Behind enemy lines… (2)
Lees eerst 39, dan 38 dan 37 dan 36.
De Vogeltjesbuurt was berucht. Beruchter dan de Veestraat of de Uitvindersbuurt of de Zeeheldenbuurt waar wij zelf vandaan kwamen. We wisten dus waar het over ging en dat we wat geluk nodig hadden want dat het uitcde hand kon lopen.
Fietsen deden we gedisciplineerd in een colonne, maar lopen ging slordiger: gewoon een langgerekte sliert met openingen en groepjes, die, toch wel aarzelend, een vreemde buurt met een slechte reputatie binnentrok. De jongsten hadden niks in de gaten, aanvankelijk, maar het ging vrij snel mis en het was nog onze eigen schuld ook.
Ergens waren wat jongetjes (jonger en dus kleiner dan wij) aan het voetballen en eentje van ons trapte de bal weg. De kinderen zagen die hele troep verkenners (zo heette dat bij de verkenners: je was de troep) en verdwenen ijlings – voor even. Ze kwamen met méér terug, maar vooral: ze haalden er enkele grote jongens bij. Nondeju. We waren er al voorbij maar we zagen ze komen en ons tempo ging ineens flink omhoog, alleen, we wilden (nog) niet gaan rennen.
De kleine jongens van het voetballen haalden ons het eerst in want zij renden er verbeten op los. De grote jongens liepen niet echt hard maar wel harder dan wij en eentje had een eind hout in zijn handen. We zagen vrouwen uit de ramen hangen en kinderen uit de weg gaan en we formeerden ons bliksemsnel: de kleinsten naar voren, de anderen naar achter, waar het gevaar dreigde. En doorlopen nondeju!
De Vogeltjesbuurt was berucht. Beruchter dan de Veestraat of de Uitvindersbuurt of de Zeeheldenbuurt waar wij zelf vandaan kwamen. We wisten dus waar het over ging en dat we wat geluk nodig hadden want dat het uitcde hand kon lopen.
Fietsen deden we gedisciplineerd in een colonne, maar lopen ging slordiger: gewoon een langgerekte sliert met openingen en groepjes, die, toch wel aarzelend, een vreemde buurt met een slechte reputatie binnentrok. De jongsten hadden niks in de gaten, aanvankelijk, maar het ging vrij snel mis en het was nog onze eigen schuld ook.
Ergens waren wat jongetjes (jonger en dus kleiner dan wij) aan het voetballen en eentje van ons trapte de bal weg. De kinderen zagen die hele troep verkenners (zo heette dat bij de verkenners: je was de troep) en verdwenen ijlings – voor even. Ze kwamen met méér terug, maar vooral: ze haalden er enkele grote jongens bij. Nondeju. We waren er al voorbij maar we zagen ze komen en ons tempo ging ineens flink omhoog, alleen, we wilden (nog) niet gaan rennen.
De kleine jongens van het voetballen haalden ons het eerst in want zij renden er verbeten op los. De grote jongens liepen niet echt hard maar wel harder dan wij en eentje had een eind hout in zijn handen. We zagen vrouwen uit de ramen hangen en kinderen uit de weg gaan en we formeerden ons bliksemsnel: de kleinsten naar voren, de anderen naar achter, waar het gevaar dreigde. En doorlopen nondeju!
Labels:
tilburg jaren 50,
trouwlaan,
verkenners,
vogeltjesbuurt
37. Behind enemy lines... (3)
Lees eerst 39, dan 38 dan 37 dan 36.
De kleine jongens sarden en spuugden, scholden en dreigden, begonnen uitdagend te duwen. En jawel, daar had er eentje een pats te pakken, van één van die van Horvers, een forse tweeling die er genadeloos op los kon slaan – onze troef, bleek al snel.
Er ging een soort gebrul op vanwege deze gewelddaad tegen één van hen in hun eigen buurt. Het groepje kleine jongens bleef afwachtend staan, de grote jongens (3 geloof ik) versnelden en eentje hief dreigend het eind hout.
Onze voorhoede sloeg nu echt op de vlucht, helemaal achterin stond de tweeling Horvers en nog enkele jongens, maar nog steeds waren we op doortocht, we stopten niet. Met een paar passen hadden de grote jongens ons ingehaald en ze sloegen meteen die van Horvers op z’n gezicht. Dat was niet slim want stante pede veranderde onze aftocht in een gevecht. Terwijl de voorhoede honderd meter verder en bijna in de relatieve veiligheid van de Broekhovenseweg, bibberend en bleek toekeek, gingen die van Horvers het gevecht aan: als gekken sloegen ze er op los en verrasten de grote buurtjongens met hun verbeten en totaal onverschrokken vechtlust. Met vertrokken gezichten en samengeknepen ogen en bijna huilend van woede gingen ze even te keer en weken vervolgens enkele meters terug, richting voorhoede. Maar nu gingen links en rechts voordeuren open en we zagen enkele volwassen mannen in de richting van het relletje lopen. De buurtjongens vielen opnieuw aan (onder gekrijs van de kleine jongens die evenwel buiten ons bereik bleven), maaiden met het eind hout en verdomd –eentje van Horvers lukte het om dat hout af te pakken en hij sloeg onmiddellijk en zonder nadenken en zo hard als ie kon de aanvaller frontaal op z’n kop. Eén twee drie keer. Die zakte op het trottoir in elkaar, ik zie hem nog gedesoriënteerd rondkruipen op handen en voeten, groggy. Even was het helemaal stil op straat.
De kleine jongens sarden en spuugden, scholden en dreigden, begonnen uitdagend te duwen. En jawel, daar had er eentje een pats te pakken, van één van die van Horvers, een forse tweeling die er genadeloos op los kon slaan – onze troef, bleek al snel.
Er ging een soort gebrul op vanwege deze gewelddaad tegen één van hen in hun eigen buurt. Het groepje kleine jongens bleef afwachtend staan, de grote jongens (3 geloof ik) versnelden en eentje hief dreigend het eind hout.
Onze voorhoede sloeg nu echt op de vlucht, helemaal achterin stond de tweeling Horvers en nog enkele jongens, maar nog steeds waren we op doortocht, we stopten niet. Met een paar passen hadden de grote jongens ons ingehaald en ze sloegen meteen die van Horvers op z’n gezicht. Dat was niet slim want stante pede veranderde onze aftocht in een gevecht. Terwijl de voorhoede honderd meter verder en bijna in de relatieve veiligheid van de Broekhovenseweg, bibberend en bleek toekeek, gingen die van Horvers het gevecht aan: als gekken sloegen ze er op los en verrasten de grote buurtjongens met hun verbeten en totaal onverschrokken vechtlust. Met vertrokken gezichten en samengeknepen ogen en bijna huilend van woede gingen ze even te keer en weken vervolgens enkele meters terug, richting voorhoede. Maar nu gingen links en rechts voordeuren open en we zagen enkele volwassen mannen in de richting van het relletje lopen. De buurtjongens vielen opnieuw aan (onder gekrijs van de kleine jongens die evenwel buiten ons bereik bleven), maaiden met het eind hout en verdomd –eentje van Horvers lukte het om dat hout af te pakken en hij sloeg onmiddellijk en zonder nadenken en zo hard als ie kon de aanvaller frontaal op z’n kop. Eén twee drie keer. Die zakte op het trottoir in elkaar, ik zie hem nog gedesoriënteerd rondkruipen op handen en voeten, groggy. Even was het helemaal stil op straat.
Labels:
tilburg jaren 50,
trouwlaan,
verkenners,
vogeltjesbuurt
36. Behind enemy lines ... (4)
Lees eerst 39, dan 38 dan 37 dan 36.
Dat gaf ons de gelegenheid om ons los te maken uit het gevecht en in blinde paniek rende nu de hele troep verkenners de buurt uit de Broekhovenseweg op. Een brede straat, niet meer de dreigende beslotenheid van de Vogeltjesbuurt. Maar niemand dacht er aan te stoppen of zelfs maar om te kijken. Rennen, de Ringbaan Zuid over. Doorrennen. Bij cafe Beth Kolen de Oerlesestraat in, langs het Transvaalplein af. Niemand kwam ons nog achterna, maar we bleven rennen tot we ons honk bereikten en opgevangen werden door de hopman.
We deden ons relaas, we toonden hem het stuk hout dan die van Horvers nog steeds in zijn hand geklemd had. Hij bekeek het zorgvuldig: er zat een grote bloedvlek op.
‘Nou’, zei hij, ‘Laten we dat maar in het kampvuur gooien. En als de politie komt weten we niets van dat stuk hout.’
Natuurlijk kwam de politie niet – het was ook een vreemd idee dat die van de Vogeltjesbuurt de wouten zou bellen. Maar jarenlang zijn wij met de verkenners met een wijde boog om de buurt heen gefietst.
Dat gaf ons de gelegenheid om ons los te maken uit het gevecht en in blinde paniek rende nu de hele troep verkenners de buurt uit de Broekhovenseweg op. Een brede straat, niet meer de dreigende beslotenheid van de Vogeltjesbuurt. Maar niemand dacht er aan te stoppen of zelfs maar om te kijken. Rennen, de Ringbaan Zuid over. Doorrennen. Bij cafe Beth Kolen de Oerlesestraat in, langs het Transvaalplein af. Niemand kwam ons nog achterna, maar we bleven rennen tot we ons honk bereikten en opgevangen werden door de hopman.
We deden ons relaas, we toonden hem het stuk hout dan die van Horvers nog steeds in zijn hand geklemd had. Hij bekeek het zorgvuldig: er zat een grote bloedvlek op.
‘Nou’, zei hij, ‘Laten we dat maar in het kampvuur gooien. En als de politie komt weten we niets van dat stuk hout.’
Natuurlijk kwam de politie niet – het was ook een vreemd idee dat die van de Vogeltjesbuurt de wouten zou bellen. Maar jarenlang zijn wij met de verkenners met een wijde boog om de buurt heen gefietst.
Labels:
tilburg jaren 50,
trouwlaan,
verkenners,
vogeltjesbuurt
zondag 23 mei 2010
35. Gymnastiekles
Bij Huize Nazareth was een gymzaal, bij ons op de lagere school niet dus wij gingen gymmen in de Nazarethstraat. Douches waren daar niet, gymkleren hadden wij niet. Dus?
Wij liepen netjes in de rij naar de gymzaal, daar trokken we onze schoenen en kousen uit en (als je die had) je bloes of trui. Je gymde in je hemd en je (korte) broek. Alle jongens op de lagere school droegen toen een korte broek, ook in de winter denk ik. Na afloop gauw weer kousen en schoenen en bloes aan en terug naar school.
Het moet gestonken hebben in de klas maar wij waren ons nergens van bewust.
Toen ik naar de HBS ging kregen we aparte gymkleding. Omdat Paulus een kindje was van Odulphus, was het gymtenue op het Pauluslyceum het omgekeerde van Odulphus: die hadden een rode broek met een witte bies, wij een witte broek met een rode bies.
Douchen was er nog steeds niet bij, op Paulus. Grote, ronde wasbakken stonden er en de gymleraar zag er streng op toe dat je je voeten waste. En vóór de les begon stelde hij ons op in een lange rij en liep hij achter ons door met een stok in zijn hand. Hij keurde de lengte van onze haren. Dit was 1965, de jeugd dreigde te ontsporen en het meest manifeste teken daarvan was 'bietelhaar'. De school deed zijn uiterste best ons in het gareel te houden. Tevergeefs.
Wij liepen netjes in de rij naar de gymzaal, daar trokken we onze schoenen en kousen uit en (als je die had) je bloes of trui. Je gymde in je hemd en je (korte) broek. Alle jongens op de lagere school droegen toen een korte broek, ook in de winter denk ik. Na afloop gauw weer kousen en schoenen en bloes aan en terug naar school.
Het moet gestonken hebben in de klas maar wij waren ons nergens van bewust.
Toen ik naar de HBS ging kregen we aparte gymkleding. Omdat Paulus een kindje was van Odulphus, was het gymtenue op het Pauluslyceum het omgekeerde van Odulphus: die hadden een rode broek met een witte bies, wij een witte broek met een rode bies.
Douchen was er nog steeds niet bij, op Paulus. Grote, ronde wasbakken stonden er en de gymleraar zag er streng op toe dat je je voeten waste. En vóór de les begon stelde hij ons op in een lange rij en liep hij achter ons door met een stok in zijn hand. Hij keurde de lengte van onze haren. Dit was 1965, de jeugd dreigde te ontsporen en het meest manifeste teken daarvan was 'bietelhaar'. De school deed zijn uiterste best ons in het gareel te houden. Tevergeefs.
34. 'Hofjes'
Herinnering van ons moeder aan de oorlog, nee, aan de bevrijding - dat een Canadese soldaat haar de weg vroeg maar ze verstond hem niet dus ze kon hem niet helpen en daar werd ie boos om. Maar dat ze hem niet verstond dat kon ze toch niet helpen? Waarom werd hij dan boos?
Ontdaan ging ze naar huis en daar legden haar oudere broers het haar uit, toen ze na nauwgezette ondervraging precies had verteld naar welke straat hij had gevraagd.
De jongens snapten het meteen: oh, hij vroeg naar de oranjestraat, dat is in de Koningswei, daar zitten de hoeren. Daarom werd ie natuurlijk kwaad, hij dacht dat je het niet wílde zeggen.
Ons mam was perplex, wist niks van de reputatie van de Oranjestraat.
De Koningswei stond slecht bekend en werd eind jaren 50 afgebroken, maakte plaats voor het Konigsplein etc. De bewoners werden geherhuisvest in de nieuwe wijk het Wandelbos, in een aantal straten die allemaal op 'hof' eindigden. In de Tilburgse volksmond was 'hofje' een tijdlang synoniem voor achterbuurt, tenminste, in de jaren '80 gebruikten mijn mts-leerlingen (bij de lessen over sociale stratificatie) het in die betekenis: Oh meneer, u bedoelt hofjes...
Ontdaan ging ze naar huis en daar legden haar oudere broers het haar uit, toen ze na nauwgezette ondervraging precies had verteld naar welke straat hij had gevraagd.
De jongens snapten het meteen: oh, hij vroeg naar de oranjestraat, dat is in de Koningswei, daar zitten de hoeren. Daarom werd ie natuurlijk kwaad, hij dacht dat je het niet wílde zeggen.
Ons mam was perplex, wist niks van de reputatie van de Oranjestraat.
De Koningswei stond slecht bekend en werd eind jaren 50 afgebroken, maakte plaats voor het Konigsplein etc. De bewoners werden geherhuisvest in de nieuwe wijk het Wandelbos, in een aantal straten die allemaal op 'hof' eindigden. In de Tilburgse volksmond was 'hofje' een tijdlang synoniem voor achterbuurt, tenminste, in de jaren '80 gebruikten mijn mts-leerlingen (bij de lessen over sociale stratificatie) het in die betekenis: Oh meneer, u bedoelt hofjes...
Labels:
hoerenbuurt,
tilburg jaren 50,
trouwlaan
zondag 16 mei 2010
33. De oude dokter Franken.
Die automatiek (zie no 32) was zo ongeveer de eerste van Tilburg, volgens mij. Op de hoek van de Trouwlaan en de Korvelseweg, weggestopt in een verloren hoekje naast een café. Daar tegenover woonde d'n dokter.
Wie?
D'n dokter!
Onze dokter dus. Eerst (prehistorie) de oude dokter Franken (waar tante Dinie, zus van mijn moeder, diende), toen zijn zoon de jonge dokter Franken (idem). Onze huisarts dus, maar zo heette dat niet: onze huisdokter. En zo heette dat ook niet. Het heette gewoon: 'onze dokter'.
Over de oude dokter Franken, die natuurlijk al eeuwenlang 'onze dokter' was van ons pap en ons mam, deden allerlei sterke verhalen de ronde. Wonderbaarlijke genezingen! Hij heeft zich ook met mijn gezondheid bemoeid: bij mijn geboorte zat mijn linkervoetje tegen mijn kuit geplakt.
'Dokter, moeten we daar geen specialist bij halen?'
'Ach nee', suste de oude dokter Franken ons mam, 'Als je nou maar elke keer als je dat kind vast hebt, gewoon rustig over de voetje strijkt, zo, in de goeie richting, dan komt dat wel goed.'
Het kwam goed.
Wie?
D'n dokter!
Onze dokter dus. Eerst (prehistorie) de oude dokter Franken (waar tante Dinie, zus van mijn moeder, diende), toen zijn zoon de jonge dokter Franken (idem). Onze huisarts dus, maar zo heette dat niet: onze huisdokter. En zo heette dat ook niet. Het heette gewoon: 'onze dokter'.
Over de oude dokter Franken, die natuurlijk al eeuwenlang 'onze dokter' was van ons pap en ons mam, deden allerlei sterke verhalen de ronde. Wonderbaarlijke genezingen! Hij heeft zich ook met mijn gezondheid bemoeid: bij mijn geboorte zat mijn linkervoetje tegen mijn kuit geplakt.
'Dokter, moeten we daar geen specialist bij halen?'
'Ach nee', suste de oude dokter Franken ons mam, 'Als je nou maar elke keer als je dat kind vast hebt, gewoon rustig over de voetje strijkt, zo, in de goeie richting, dan komt dat wel goed.'
Het kwam goed.
32. D'n Buik
Huize Nazareth was 2 of 3 straten verder: Wassenaarlaan, Ruijterstraat, dan kwam je bij de kruising met de Nieuwstraat, daar begon de Nazarethstraat. Op de hoek zat een bakker, Van Dijk, die zijn zaak ombouwde tot friettent. Een dikke man, d'n Buik heette hij de de volksmond, of in elk geval: zo noemden wij hem (ja, niet in zijn gezicht natuurlijk). Dit was al wat later, een jaar of 12 was ik toen. Hij had een mooie dochter (Gonnie), die hielp in de zaak en daarom hingen wij daar graag rond. Maar je mocht alleen in de zaak rondhangen als je friet at, of kroketten, dus het vergde nogal wat zakgeld.
wij zaten daar dan, 4 of 5 jongens, de vaste fanclub zeg maar, Gonnie achter de toonbank, d'n Buik ergens in het achterhuis. Als ie de zaak in kwam moest je snel iets bestellen anders moest je er uit. 'Gonnie, doe mij nog maar een kroket', riepen wij in koor als de deur openging voor de indrukwekkende gestalte van haar vader.
Als ze de kroektten er te snel uithaalde dan waren ze nog koud van binnen en dan kreeg je een nieuwe, nadat d'n Buik met een dikke vinger aan je kroket had gevoeld of ie inderdaad koud was, van binnen.
Zijn zoon opende later een automatiek aan het St Annaplein.
wij zaten daar dan, 4 of 5 jongens, de vaste fanclub zeg maar, Gonnie achter de toonbank, d'n Buik ergens in het achterhuis. Als ie de zaak in kwam moest je snel iets bestellen anders moest je er uit. 'Gonnie, doe mij nog maar een kroket', riepen wij in koor als de deur openging voor de indrukwekkende gestalte van haar vader.
Als ze de kroektten er te snel uithaalde dan waren ze nog koud van binnen en dan kreeg je een nieuwe, nadat d'n Buik met een dikke vinger aan je kroket had gevoeld of ie inderdaad koud was, van binnen.
Zijn zoon opende later een automatiek aan het St Annaplein.
Abonneren op:
Posts (Atom)