De bibliotheek, het filiaal Trouwlaan in de vleugel van het patronaatsgebouw, was een vesting van beschaving in een onbeschaafde wijk. Het zag er ook echt zo uit: rondom bakstenen muren met pas op twee meter hoogte enkele smalle ramen met ijzerdraadglas. Dat was natuurlijk vanwege de boekenkasten die binnen tegen alle wanden stonden, maar evengoed was het resultaat: een vesting, een ongenaakbaar magazijngebouw. Stuurs.
Een smalle deur aan de zijkant tegenover de meisjesschool daar. Eerst van hout of spaanplaat, maar al heel snel onherstelbaar beschadigd: dat kon je intrappen. Als tegenmaatregel werden er doffe, zinkkleurige metalen platen op bevestigd, die kreeg je niet kapot maar er werden 's nachts wel eens vuurtjes tegen gestookt.
Achter die deur zat een klein portaal. weer en deur en dan kwam je in de leeszaal. Helemaal aan het andere einde was de administratietafel met bakken met kaartjes (zie vorige keer). Daar zaten de mevrouwen van de bibliotheek achter. Er moet ergens voor hen een wc geweest zijn, maar daar heb ik geen herinnering aan, aan een wc-deur bedoel ik.
Het was ons terrein, de bieb. Van de nette mensen uit de wijk. De schoffies kwamen hier niet - niet omdat het niet mocht maar ze hadden er niets te zoeken. Zij lazen niet, denk ik. En als ze lazen, dan stripverhalen - en die waren slecht voor de jeugd, die had de bieb niet en die mochten wij sowieso niet lezen.
Soms kwamen er toch rotjongens binnen, om te klooien. Die werden dan door de bibliotheek-mevrouwen weggestuurd en dat werkte altijd, voor zover ik me herinner. Eén keer werkte het niet en begon één van die jongens met een opengeklapt zakmes te zwaaien. Toen kwam de politie: de vesting werd verdedigd.
zaterdag 19 maart 2011
zaterdag 12 maart 2011
85: De bieb is niet voor niks!
Het gaat nog steeds over het bibliotheekfiliaal Trouwlaan. Eind jaren 50.
In elk bibliotheekboek zat aan de binnenkant van de kaft een driehoekje geplakt, de lange kant open. Daarin zat het kaartje van het boek. Als je een boek uitgekozen had en ermee naar de mevrouw van de bibliotheek liep, haalde zij dat kaartje eruit en deed het in jouw hoesje.
Dat hoesje was van stevig karton, donkerblauw meen ik. En de hoesjes van alle leden stonden netjes achter elkaar in een lage, houten bak. Die bak stond op de tafel waar de mevrouw van de bibliotheek achter zat. Gevuld met de kaartjes uit de boeken die jij had geleend, ging jouw hoesje dan in een andere bak.
De bibliotheek was niet voor niets. Ik denk dat je 2,50 per jaar moest betalen voor een jeugdabonnement. Dat deed je door elke keer als je een boek leende, 15 cent te betalen. Als je aan de 2,50 zat dan hoefde je geen geld meer mee te nemen.
Een vervelend omslachtig systeem vond ik dat, als kleine jongen. Toen ik een keer samen met een vriendje naar de bieb ging, betaalde hij in één keer die 2,50.
Verrek, dat kon ook, dat wist ik niet. Ik snelde naar huis om het tegen ons mam te vertellen: dat je ook in één keer die 2,50 kon voldoen.
Ja dat weet ik wel, zei ons mam, maar dat is me te duur. Ik heb zo maar geen rijksdaalder uit te geven. Dus ik moest terug met rode wangen van schaamte en netjes mijn 15 dent afdragen, en volgende week weer.
In elk bibliotheekboek zat aan de binnenkant van de kaft een driehoekje geplakt, de lange kant open. Daarin zat het kaartje van het boek. Als je een boek uitgekozen had en ermee naar de mevrouw van de bibliotheek liep, haalde zij dat kaartje eruit en deed het in jouw hoesje.
Dat hoesje was van stevig karton, donkerblauw meen ik. En de hoesjes van alle leden stonden netjes achter elkaar in een lage, houten bak. Die bak stond op de tafel waar de mevrouw van de bibliotheek achter zat. Gevuld met de kaartjes uit de boeken die jij had geleend, ging jouw hoesje dan in een andere bak.
De bibliotheek was niet voor niets. Ik denk dat je 2,50 per jaar moest betalen voor een jeugdabonnement. Dat deed je door elke keer als je een boek leende, 15 cent te betalen. Als je aan de 2,50 zat dan hoefde je geen geld meer mee te nemen.
Een vervelend omslachtig systeem vond ik dat, als kleine jongen. Toen ik een keer samen met een vriendje naar de bieb ging, betaalde hij in één keer die 2,50.
Verrek, dat kon ook, dat wist ik niet. Ik snelde naar huis om het tegen ons mam te vertellen: dat je ook in één keer die 2,50 kon voldoen.
Ja dat weet ik wel, zei ons mam, maar dat is me te duur. Ik heb zo maar geen rijksdaalder uit te geven. Dus ik moest terug met rode wangen van schaamte en netjes mijn 15 dent afdragen, en volgende week weer.
zaterdag 5 maart 2011
84. De kameleon!
Hoe kon ik die vergeten bij mijn opsomming van boeken die ik las tijdens de lagere school? (zie no 83) De Kameleon! De Friese tweelingbroers Sietse en Wietske (kloppen die namen?), ondeugende, olijke zoons van de dorpssmid. Die in het eerste boek een merkwaardiggevormde, wrakke boot aantreffen die ze wel mogen houden van hun vader en die ze helemaal zelf opknappen? En beschilderen met een mengsel van allerlei verschillende, oude verfkleuren zodat ie steeds van kleur verandert, al naar gelang de afstand?
En hun wat oudere vriend de boerenkecht Gerben, die mij een belangrijke les leerde toen het ging over een nieuw pak dat ie had gekocht. Een mooi, bruin pak van echte wol, hij was er speciaal voor naar de stad geweest.
De tweeling bewonderde het en veronderstelde dat ie daar wel lang naar gezocht zou hebben, allerlei winkels in de stad afgestruind?
Nee, zei Gerben, de eerste winkel het tweede pak was dit.
En toen heb je niet verder gezocht? (Let op, hier komt de les)
Nee, waarom zou ik, reageerde Gerben. Dan wordt het toch alleen maar moeilijker? Ik zocht een mooi, bruin pak dat me goed stond en als ik dat gevonden heb dan houd ik toch op met zoeken?
Dat ben ik nooit vergeten. Dank je wel Gerben! Als het goed is, is het goed. Als je vindt wat je zoekt, houd je op met zoeken - dat houdt het leven overzichtelijk.
Een satisfier, onze Gerben, geen optimizer. Niet iemand die (bezeten! wanhopig!) streeft naar maximale resultaten, maar iemand die snapt dat je gewoon, simpelweg, een behoefte kunt bevrerdigen en dat het dan goed is.
Heb ik me mijn hele leven aan gehouden: het betere is de vijand van het goede.
En hun wat oudere vriend de boerenkecht Gerben, die mij een belangrijke les leerde toen het ging over een nieuw pak dat ie had gekocht. Een mooi, bruin pak van echte wol, hij was er speciaal voor naar de stad geweest.
De tweeling bewonderde het en veronderstelde dat ie daar wel lang naar gezocht zou hebben, allerlei winkels in de stad afgestruind?
Nee, zei Gerben, de eerste winkel het tweede pak was dit.
En toen heb je niet verder gezocht? (Let op, hier komt de les)
Nee, waarom zou ik, reageerde Gerben. Dan wordt het toch alleen maar moeilijker? Ik zocht een mooi, bruin pak dat me goed stond en als ik dat gevonden heb dan houd ik toch op met zoeken?
Dat ben ik nooit vergeten. Dank je wel Gerben! Als het goed is, is het goed. Als je vindt wat je zoekt, houd je op met zoeken - dat houdt het leven overzichtelijk.
Een satisfier, onze Gerben, geen optimizer. Niet iemand die (bezeten! wanhopig!) streeft naar maximale resultaten, maar iemand die snapt dat je gewoon, simpelweg, een behoefte kunt bevrerdigen en dat het dan goed is.
Heb ik me mijn hele leven aan gehouden: het betere is de vijand van het goede.
zaterdag 26 februari 2011
83. De bieb
Het parochiehuis had twee vleugels. De linker was het honk van de verkenners (de welpen zaten daar op zolder), in de rechter zat een filiaal van de bibliotheek. Bij wijze van ontwikkelingshulp denkelijk, een soort beschavingsoffensief. Ik las me suf en dat ben ik mijn hele leven blijven doen, maar ik herinner me niet veel boeken uit die tijd. Alle Arendsogen natuurlijk, eerst van de vader daarna van de zoon. De Vijf. Pocomoto. Wat later kwam Karl May (ik weet nog steeds niet of je dat nu uitspreekt als 'mai' of als 'mee').
Het filiaal Trouwlaan zoals het officieel heette (ik wist natuurlijk niet dat het een filiaal was, voor mij was het gewoon 'de bieb') was alleen open op woensdag- en op zaterdagmiddag. Veel te weinig om mijn leeshonger te stillen. Een roman en één studieboek mocht je meenemen, als ik het mij goed herinner, en als ik mijn eigen boeken uit had dan begon ik aan die van mijn zussen. Meisjesboeken! Schitterend! 'Pitty het kostschoolmeisje', daar was een hele serie van en die verslond ik stiekem, want het mocht natuurlijk niet, meisjesboeken. Ik was tenslotte een jongen en die scheiding was er niet voor niets! In de bieb zelf werd dat ook streng bewaakt: de kasten met meisjesboeken stonden ver van de kasten met jongensboeken. Je kunt het je nu niet meer voorstellen maar de bieb-juffrouwen hielden dat goed in de gaten. Je mocht als kind niet in de kasten voor volwassenen zoeken, maar als jongen werd je ook weggejaagd bij de meisjesboekenkasten.
Tijden probeerde ik de bieb te slim af te zijn en méér boeken per week te lezen, door al klaar te staan bij openingstijd (woensdagmiddag 3 uur), bliksemsnel een boek te lenen, naar huis te rennen en als een bezetene aan het lezen te slaan. Als ik het vóór zes uur (sluitingstijd) uit had, kon ik nog gauw aan ander halen!
Het filiaal Trouwlaan zoals het officieel heette (ik wist natuurlijk niet dat het een filiaal was, voor mij was het gewoon 'de bieb') was alleen open op woensdag- en op zaterdagmiddag. Veel te weinig om mijn leeshonger te stillen. Een roman en één studieboek mocht je meenemen, als ik het mij goed herinner, en als ik mijn eigen boeken uit had dan begon ik aan die van mijn zussen. Meisjesboeken! Schitterend! 'Pitty het kostschoolmeisje', daar was een hele serie van en die verslond ik stiekem, want het mocht natuurlijk niet, meisjesboeken. Ik was tenslotte een jongen en die scheiding was er niet voor niets! In de bieb zelf werd dat ook streng bewaakt: de kasten met meisjesboeken stonden ver van de kasten met jongensboeken. Je kunt het je nu niet meer voorstellen maar de bieb-juffrouwen hielden dat goed in de gaten. Je mocht als kind niet in de kasten voor volwassenen zoeken, maar als jongen werd je ook weggejaagd bij de meisjesboekenkasten.
Tijden probeerde ik de bieb te slim af te zijn en méér boeken per week te lezen, door al klaar te staan bij openingstijd (woensdagmiddag 3 uur), bliksemsnel een boek te lenen, naar huis te rennen en als een bezetene aan het lezen te slaan. Als ik het vóór zes uur (sluitingstijd) uit had, kon ik nog gauw aan ander halen!
zaterdag 19 februari 2011
82. Angina Pectoris
Ons mam had vaak hoofdpijn, dat was een vast gegeven binnen ons gezin en op een bepaalde manier was het mijn schuld: mijn geboorte was niet helemaal vlotjes verlopen (ik bleek de helft van een tweeling te zijn maar de andere helft was al in een vroeg stadium gestorven) en in de nasleep daarvan werd haar baarmoeder eruit geopereerd en kwam ze versneld in de overgang. Zo heb ik het in elk geval begrepen.
Ons pap mankeerde nooit iets voor zover ik me herinner, tot hij ineens echt iets mankeerde en 's morgens niet naar zijn werk ging. Dat was ongehoord maar het verontrustte me niet, op dat moment. Ik was 10 of 11 en zat in de vijfde klas van de lagere school, bij meneer Kokke. Wist ik veel. Maar toen werd ik om een uur of tien uit de klas gehaald door een bleek schoolhoofd (meester Van Ham) vergezeld van Piet, de oudste zoon van ome Goof (de oudste broer van ons moeder).
'Oh', zei ik waanwijs toen ik hem in de gang van de school zag staan: 'Dan gaat het over onze pap.'
Het ging over papa en het nieuws was niet goed: hartaanval. 'Angina Pectoris' kwam ook nog langs als term voor wat hij had. Naar het ziekenhuis in de auto van Piet, met mijn zussen. Ons moeder stond al aan het bed waar papa in lag, bleek. Mijn zussen in tranen. Ik niet, geloof ik. Wel weet ik nog dat hij met een bibberige stem ons Fieke troostte: 'Maar meisje toch, kalm maar, je ziet toch dat onze papa er nog is.' Zoiets.
Jazeker, hij was er nog maar hij werd nooit meer de oude.
Ik ging terug naar school met het voornemen om er niets over te zeggen, dan kreeg je maar gezeur. Jaja. De hele school wist het want meester Van Ham had het omgeroepen over de geluidsinstallatie, dat ze moesten bidden voor 'de vader van gerard sanberg die vanmorgen met een hartaanval opgenomen is in het ziekenhuis'.
Die middag maakte ik al mijn sommen fout.
Ons pap mankeerde nooit iets voor zover ik me herinner, tot hij ineens echt iets mankeerde en 's morgens niet naar zijn werk ging. Dat was ongehoord maar het verontrustte me niet, op dat moment. Ik was 10 of 11 en zat in de vijfde klas van de lagere school, bij meneer Kokke. Wist ik veel. Maar toen werd ik om een uur of tien uit de klas gehaald door een bleek schoolhoofd (meester Van Ham) vergezeld van Piet, de oudste zoon van ome Goof (de oudste broer van ons moeder).
'Oh', zei ik waanwijs toen ik hem in de gang van de school zag staan: 'Dan gaat het over onze pap.'
Het ging over papa en het nieuws was niet goed: hartaanval. 'Angina Pectoris' kwam ook nog langs als term voor wat hij had. Naar het ziekenhuis in de auto van Piet, met mijn zussen. Ons moeder stond al aan het bed waar papa in lag, bleek. Mijn zussen in tranen. Ik niet, geloof ik. Wel weet ik nog dat hij met een bibberige stem ons Fieke troostte: 'Maar meisje toch, kalm maar, je ziet toch dat onze papa er nog is.' Zoiets.
Jazeker, hij was er nog maar hij werd nooit meer de oude.
Ik ging terug naar school met het voornemen om er niets over te zeggen, dan kreeg je maar gezeur. Jaja. De hele school wist het want meester Van Ham had het omgeroepen over de geluidsinstallatie, dat ze moesten bidden voor 'de vader van gerard sanberg die vanmorgen met een hartaanval opgenomen is in het ziekenhuis'.
Die middag maakte ik al mijn sommen fout.
zaterdag 12 februari 2011
81. Schuifworst
Ik schrijf dit op zaterdag 12 februari. Afgelopen vrijdag hebben we ome Frans begraven, de jongste broer van ons moeder. 93 is hij geworden (niet bepaald jong). Zoals zijn oudste zoon Jack tijdens de herdenkingsbijeenkomst zei en wat mijzelf ook al door het hoofd geschoten was: met Frans ging de laatste van het gezin uit de Veestraat. Dat is nu voorgoed geschiedenis.
Ieder z'n eigen geschiedenis en ik kom hier zeker nog terug op de Veestraat, maar voor nu zij gezegd, namens ons mam, dat dat adres toen niet de lading had die het nu heeft, in Tilburg. Integendeel, zei zij altijd. Dat waren toen meer dan nette rijtjeshuizen, bestemd voor ambtenaren en zo.
Maar veel geld was er niet in het gezin Van de Sande en ik gebruik het begrip 'schuifworst', ook overgehouden aan de herdenkingsbijeenkomst van gisteren, om dat te illustreren.
Schuifworst is de oplossing voor het droevige gegeven dat een snee brood zoveel groter is dan een plakje worst en dat je toch maar één plakje worst mocht, op je boterham. Dus? Elke keer als je een hap van je boterham nam, schoof je met je bovenlip het plakje worst weg van de rand, zodat je er maar een klein stukje van meekreeg. Zo kon je een hele snee brood eten met maar één plakje worst. Schuifworst!
Ieder z'n eigen geschiedenis en ik kom hier zeker nog terug op de Veestraat, maar voor nu zij gezegd, namens ons mam, dat dat adres toen niet de lading had die het nu heeft, in Tilburg. Integendeel, zei zij altijd. Dat waren toen meer dan nette rijtjeshuizen, bestemd voor ambtenaren en zo.
Maar veel geld was er niet in het gezin Van de Sande en ik gebruik het begrip 'schuifworst', ook overgehouden aan de herdenkingsbijeenkomst van gisteren, om dat te illustreren.
Schuifworst is de oplossing voor het droevige gegeven dat een snee brood zoveel groter is dan een plakje worst en dat je toch maar één plakje worst mocht, op je boterham. Dus? Elke keer als je een hap van je boterham nam, schoof je met je bovenlip het plakje worst weg van de rand, zodat je er maar een klein stukje van meekreeg. Zo kon je een hele snee brood eten met maar één plakje worst. Schuifworst!
zaterdag 5 februari 2011
80. Een geniale hopman?
Op mijn twaalfde ging ik bij de verkenners, een vormende wijkactiviteit waar ik niet min over wil doen of denigrerend. Wat ik bij de verkenners geleerd heb, daar heb ik veel aan gehad. Doorzetten!
Ons honk was aangebouwd aan het patronaatsgebouw (in de andere vleugel zat een filiaal van de bibliotheek), dus zo ongeveer naast ons thuis. De verkennerij was sterk hierarchisch: de leider was de hopman die geassisteerd werd door enkele vaandrigs. Onder die algemene leiding kwamen de troepen: aangevoerd door patrouilleleiders en assistent-patrouilleleiders waren dat zo'n veertig gewone verkenners. Vier patrouilles waren er.
Je begon als adspirant, je moest ontgroend worden (tijdens het zomerkamp) om gewoon verkenner te worden. Was je eenmaal ontgroend, dan kon je opklimmen in de hierarchie door allerlei proeven af te leggen. Daar keeg je dan insignes voor. Seinen met vlaggen, knopen leggen, sjorren (ja, dat was dus constructies bouwen met palen en touwen), ehbo, tumbelen (een vorm van turnen), morse-seinen, sterrebeelden herkennen aan de hemel, de hoogte van een toren berekenen met behulp van een stok van 1 meter: you name it en er was wel een examen voor.
Ik was natuurlijk ijverig en haalde het ene insigne na het andere.
Toen ging de hopman weg, dat vonden we allemaal jammer want het was een charismatische man, hij leek wat op Charlton Heston. Ook zo groot. En hij trouwde met, hoe kan het anders, de akela.
Maar goed, er moest een nieuwe hopman komen en die werd na enig zoeken gevonden. Meneer Sparidans wilde het wel doen. Ik kende hem vaag, de vader van een vriendje uit de buys ballotstraat (?). Mijn achting voor hem steeg tot ongekende hoogte, want al na twee weken kwam hij in volledig uniform - had hij dus al die examens en proeven in twee weken tijd afgelegd - meende ik in mijn naiviteit.
Dat je zo'n uniform gewoon aanschafte (in de scoutingwinkel aan het Wilhelminapark), dat hij dus blijkbaar twee weken had moeten wachten tot het klaar was en dat hij helemaal geen examens had afgelegd omdat iedereen al lang blij was dat ze iemand gevonden hadden om dat baantje te doen, daar voorzag mijn wereldbeeld niet in.
Ons honk was aangebouwd aan het patronaatsgebouw (in de andere vleugel zat een filiaal van de bibliotheek), dus zo ongeveer naast ons thuis. De verkennerij was sterk hierarchisch: de leider was de hopman die geassisteerd werd door enkele vaandrigs. Onder die algemene leiding kwamen de troepen: aangevoerd door patrouilleleiders en assistent-patrouilleleiders waren dat zo'n veertig gewone verkenners. Vier patrouilles waren er.
Je begon als adspirant, je moest ontgroend worden (tijdens het zomerkamp) om gewoon verkenner te worden. Was je eenmaal ontgroend, dan kon je opklimmen in de hierarchie door allerlei proeven af te leggen. Daar keeg je dan insignes voor. Seinen met vlaggen, knopen leggen, sjorren (ja, dat was dus constructies bouwen met palen en touwen), ehbo, tumbelen (een vorm van turnen), morse-seinen, sterrebeelden herkennen aan de hemel, de hoogte van een toren berekenen met behulp van een stok van 1 meter: you name it en er was wel een examen voor.
Ik was natuurlijk ijverig en haalde het ene insigne na het andere.
Toen ging de hopman weg, dat vonden we allemaal jammer want het was een charismatische man, hij leek wat op Charlton Heston. Ook zo groot. En hij trouwde met, hoe kan het anders, de akela.
Maar goed, er moest een nieuwe hopman komen en die werd na enig zoeken gevonden. Meneer Sparidans wilde het wel doen. Ik kende hem vaag, de vader van een vriendje uit de buys ballotstraat (?). Mijn achting voor hem steeg tot ongekende hoogte, want al na twee weken kwam hij in volledig uniform - had hij dus al die examens en proeven in twee weken tijd afgelegd - meende ik in mijn naiviteit.
Dat je zo'n uniform gewoon aanschafte (in de scoutingwinkel aan het Wilhelminapark), dat hij dus blijkbaar twee weken had moeten wachten tot het klaar was en dat hij helemaal geen examens had afgelegd omdat iedereen al lang blij was dat ze iemand gevonden hadden om dat baantje te doen, daar voorzag mijn wereldbeeld niet in.
zaterdag 29 januari 2011
79. Lang zal ie leven, lang zal ie leven...
Ja, mijn examenfeest was dikke pret, zie vorige aflevering, maar de verjaardagsfeestjes thuis in onze vroege kinderjaren waren ook leuk want ons moeder deed echt haar best en wij vierden dus, en dat was in die tijd een uitzondering, echte kinderfeestjes. Dat je vier of vijf vriendjes vroeg en dat er ook wat neefjes en nichtjes kwamen en dat je samen spelletjes deed, onder leiding van ons mam.
Eerst was het natuurlijk ontvangst en feliciteren (ik herinner me geen cadeautjes van vriendjes, dat was niet de gewoonte denk ik) en 'Lang zal ie leven' zingen en taart eten en limonade drinken (Exota, priklimonade met beugeldoppen uit Dongen) - en dan de spelletjes. Ik herinner me de sleuteldans. We gingen dan met z'n allen aan de tafel zitten, die was gedekt met een feesttafelkleed: hagelwit en met lang overhangende randen. Er was een seterk touw voor nodig dat door het oog van een sleutel werd gehaald. Met twee knopen in het touw werd de sleutel op een bepaalde plaats gefixeerd en het touw werd in een cirkel geknoopt die net om de tafelpoten paste maar dus onder de overstekende rand van de tafel bleef, verborgen onder het tafelkleed (veel woorden nodig om iets simpels uit te leggen). Iedereen pakte met twee handen het touw vast en we begonnen te zingen (deed er niet toe wat) en tegelijkertijd 'gaven we het touw door' naar rechts, door steeds met je handen naar links te pakken, eerst met je linkerhand tegen de rechterhand van je buurman aan, dan met je rechterhand tegen je linkerhand aan. Of nét niet er tegenaan: als je de sleutel had. Als ons moeder 'stop' zei, stopten we en werd onder luid gejoel het touw boven de tafel gehouden door allemaal tegelijk. Wie dan de sleutel tussen zijn handen had was af. Hilarisch.
Ps Ik vraag me af of iemand die het spel niet kent, zich een juist beeld kan vormen op basis van mijn beschrijving.
Eerst was het natuurlijk ontvangst en feliciteren (ik herinner me geen cadeautjes van vriendjes, dat was niet de gewoonte denk ik) en 'Lang zal ie leven' zingen en taart eten en limonade drinken (Exota, priklimonade met beugeldoppen uit Dongen) - en dan de spelletjes. Ik herinner me de sleuteldans. We gingen dan met z'n allen aan de tafel zitten, die was gedekt met een feesttafelkleed: hagelwit en met lang overhangende randen. Er was een seterk touw voor nodig dat door het oog van een sleutel werd gehaald. Met twee knopen in het touw werd de sleutel op een bepaalde plaats gefixeerd en het touw werd in een cirkel geknoopt die net om de tafelpoten paste maar dus onder de overstekende rand van de tafel bleef, verborgen onder het tafelkleed (veel woorden nodig om iets simpels uit te leggen). Iedereen pakte met twee handen het touw vast en we begonnen te zingen (deed er niet toe wat) en tegelijkertijd 'gaven we het touw door' naar rechts, door steeds met je handen naar links te pakken, eerst met je linkerhand tegen de rechterhand van je buurman aan, dan met je rechterhand tegen je linkerhand aan. Of nét niet er tegenaan: als je de sleutel had. Als ons moeder 'stop' zei, stopten we en werd onder luid gejoel het touw boven de tafel gehouden door allemaal tegelijk. Wie dan de sleutel tussen zijn handen had was af. Hilarisch.
Ps Ik vraag me af of iemand die het spel niet kent, zich een juist beeld kan vormen op basis van mijn beschrijving.
zaterdag 22 januari 2011
78. Geslaagd & stoned!
Toen ik mijn HBS-diploma haalde (1971) gaf ik natuurlijk een feest en bij die gelegenheid kwamen twee werelden vermakelijk bij elkaar, want er was niemand uit mijn oude buurt (we waren inmiddels verhuisd naar de Tobias Asserlaan), maar er waren wél wat ooms en tantes en verder was het hartstikke druk met mensen die hoorden bij de 'sien' in Tilburg: langharig werkschuw tuig zeg maar.
Ons pap en ons mam waren erg trots op mijn diploma en vastbesloten om het feest op mijn manier te vieren, dus iedereen was welkom en al snel werd er geblowd, gewoon in onze keurige huiskamer waar ooms en tantes netjes op stoelen zaten en daar tussendoor wat langharig of half-langharig volk op de grond, met pijnlijk gekruiste knieen en een joint. Dat waren fraaie tafereeltjes en de familie keek z'n ogen uit. 'Rook jij nu haschisch?', hoorde ik een tante aan Frans Daams (één en al baard en haar) vragen.
'Ja, mevrouw', antwoordde Frans beleefd. 'Ik ben nu onder de invloed van haschisch.'
Het feest was een daverend succes en werd 's morgens om een uur of acht goed samengevat door een korte dialoog van pa en ma.
Ons pap: 'Verroest mam, ze zijn al weer op.'
Ons mam: 'Nee Piet, ze zijn nóg op.'
Dat klopte, we waren net terug uit het Wandelbos waar Norbert in een vijver was gevallen en nu angstig kwekte over de ziekte van Lyme. Mijn jongste zus die wél geslapen had omdat ze moest gaan werken, liep een beetje panisch in haar roze baby-doll door het huis en trok belangstelling: 'Het lijkt hier wel een communiefeestje.'
Én gelachen dat we hebben.
Ons pap en ons mam waren erg trots op mijn diploma en vastbesloten om het feest op mijn manier te vieren, dus iedereen was welkom en al snel werd er geblowd, gewoon in onze keurige huiskamer waar ooms en tantes netjes op stoelen zaten en daar tussendoor wat langharig of half-langharig volk op de grond, met pijnlijk gekruiste knieen en een joint. Dat waren fraaie tafereeltjes en de familie keek z'n ogen uit. 'Rook jij nu haschisch?', hoorde ik een tante aan Frans Daams (één en al baard en haar) vragen.
'Ja, mevrouw', antwoordde Frans beleefd. 'Ik ben nu onder de invloed van haschisch.'
Het feest was een daverend succes en werd 's morgens om een uur of acht goed samengevat door een korte dialoog van pa en ma.
Ons pap: 'Verroest mam, ze zijn al weer op.'
Ons mam: 'Nee Piet, ze zijn nóg op.'
Dat klopte, we waren net terug uit het Wandelbos waar Norbert in een vijver was gevallen en nu angstig kwekte over de ziekte van Lyme. Mijn jongste zus die wél geslapen had omdat ze moest gaan werken, liep een beetje panisch in haar roze baby-doll door het huis en trok belangstelling: 'Het lijkt hier wel een communiefeestje.'
Én gelachen dat we hebben.
zaterdag 15 januari 2011
77. Snotjongens op de Karl Marx-Universiteit
De jaren '60 braken in Tilburg spectaculair door met de bezetting van de Katholieke Hogeschool - Karl Marx-universiteit heette die opeens en zo werd het ene geloof moeiteloos ingeruild voor het andere. En het ongelooflijke gebeurde - maar om dat te duiden moet ik wat verder terug in de tijd.
Onze pa had een bromfiets. Een auto was een imponerend bezit dat voor veruit de meesten onbereikbaar was, maar onze ome Toon rééd wel in een auto. Hij was privé-chauffeur van een wolfabrikant (Hilvarenbeekseweg, het witte huis dat sinds lang afgebroken is, waar nu het elisabethziekenhuis staat) en toen die failliet ging werd hij taxi-chauffeur.
Dat concept ontging mij, ik snapte gewoon niet hoe dat zat, een taxi, maar ik mocht wel eens meerijden in die grote, zwarte Mercedes, ik was tenslotte zijn petekind.
Toen werd de hogeschool bezet en kwam de minster van onderwijs (Veringa?) naar Tilburg - met de trein. Hij pakte op het station de taxi naar de Karl Marx-Universiteit en wij zagen de minister commentaar geven op het journaal van 8 uur. Wat zei hij?
'Nou, ik was wel nieuwsgierig naar wat de gewone Tilburgse mensen van die bezetting vonden dus ik heb het maar eens aan de taxi-chauffeur gevraagd en die zei het zijn verwende snotjongens ze moesten allemaal een trap onder hun achterste krijgen, nu kunnen ze studeren en dan gaan ze rotzooi trappen.'
En die taxi-chauffeur, jawel, dat was ome Toon. Het gonsde in de hele familie dat de minister ome Toon geciteerd had. En correct ook, volgens Toon: Dè is pursies wè'k gezegd heb.'
Onze pa had een bromfiets. Een auto was een imponerend bezit dat voor veruit de meesten onbereikbaar was, maar onze ome Toon rééd wel in een auto. Hij was privé-chauffeur van een wolfabrikant (Hilvarenbeekseweg, het witte huis dat sinds lang afgebroken is, waar nu het elisabethziekenhuis staat) en toen die failliet ging werd hij taxi-chauffeur.
Dat concept ontging mij, ik snapte gewoon niet hoe dat zat, een taxi, maar ik mocht wel eens meerijden in die grote, zwarte Mercedes, ik was tenslotte zijn petekind.
Toen werd de hogeschool bezet en kwam de minster van onderwijs (Veringa?) naar Tilburg - met de trein. Hij pakte op het station de taxi naar de Karl Marx-Universiteit en wij zagen de minister commentaar geven op het journaal van 8 uur. Wat zei hij?
'Nou, ik was wel nieuwsgierig naar wat de gewone Tilburgse mensen van die bezetting vonden dus ik heb het maar eens aan de taxi-chauffeur gevraagd en die zei het zijn verwende snotjongens ze moesten allemaal een trap onder hun achterste krijgen, nu kunnen ze studeren en dan gaan ze rotzooi trappen.'
En die taxi-chauffeur, jawel, dat was ome Toon. Het gonsde in de hele familie dat de minister ome Toon geciteerd had. En correct ook, volgens Toon: Dè is pursies wè'k gezegd heb.'
Labels:
bezetting,
Karl Marx Universiteit,
Tilburg jaren 60
zaterdag 8 januari 2011
76. 'ver brengen'
Tot en met mijn twaalfde was de buurt mijn wereld. De gang naar de HBS brak daarop in (ik brak uit), maar de eerste jaren toch slechts gedeeltelijk. De buurt bleef een grote rol spelen want op de HBS kreeg ik geen vrienden - dat was toch echt een ander milieu en daar wilde ik mij niet in mengen- of ik durfde het niet, kan ook.
Dertien, veertien jaar: verkennerij en rondhangen in de Trouwlaan, bij de automatiek van D'n Buik. Ook de jaren '60 gingen een rol spelen en dat zorgde (zie ik nu) voor verwarring: net op het moment dat ik stappen zette weg uit het arbeidersmilieu, net op het moment dat er sprake was van sociale stijging richting burgerij, nét op dat moment werd dat allemaal verdacht. 'Burgerij' werd 'establishment' en daar wilde je niet bijhoren.
Voor ons pap en ons mam moet dat een hard gelag geweest zijn, dat ik ging trappen tegen wat zij als het belofde land zagen, dat ik mij afzette tegen datgene wat zij hoopten dat ik zou bereiken, met mijn goed stel hersens: 'doorleren', 'het ver brengen' , 'een baan een huis een auto en een kind', zoals Boudewijn de Groot zong.
Jaren later liet ik mijn haren groeien en werd ik (op straat, in de trein) soms aangezien voor Boudewijn.
Dertien, veertien jaar: verkennerij en rondhangen in de Trouwlaan, bij de automatiek van D'n Buik. Ook de jaren '60 gingen een rol spelen en dat zorgde (zie ik nu) voor verwarring: net op het moment dat ik stappen zette weg uit het arbeidersmilieu, net op het moment dat er sprake was van sociale stijging richting burgerij, nét op dat moment werd dat allemaal verdacht. 'Burgerij' werd 'establishment' en daar wilde je niet bijhoren.
Voor ons pap en ons mam moet dat een hard gelag geweest zijn, dat ik ging trappen tegen wat zij als het belofde land zagen, dat ik mij afzette tegen datgene wat zij hoopten dat ik zou bereiken, met mijn goed stel hersens: 'doorleren', 'het ver brengen' , 'een baan een huis een auto en een kind', zoals Boudewijn de Groot zong.
Jaren later liet ik mijn haren groeien en werd ik (op straat, in de trein) soms aangezien voor Boudewijn.
zaterdag 18 december 2010
75. Pa op de brommer.
Die eerste jaren op de HBS, ik geloof niet dat het leuk was. Twee werelden: de buurt en de school, en ik wilde niet dat ze bij elkaar kwamen want ik schaamde me over mijn afkomst. Het doet zeer om dat nu te schrijven, maar zo was het. De jongens in de klas hadden verhalen over de auto van hun vader. Wij hadden geen auto, onze pa reed op een brommer. In de herfst kreeg ik pas een nieuwe jas als de kinderbijslag binnen was, dus in september fietste ik in mijn bloes naar school en als het regende deed ik een poncho aan, zo over mijn bloes, zonder jas er onder. Dat was genant maar het was niet anders. In het kader van begeleiding van nieuwe leerlingen kwam de klasseleraar een keer op huisbezoek - ik schaamde me kapot. Waarom? Omdat het maar armoedig uitzag, vond ik. Die man zag dat vast.
Natuurlijk zag hij dat, meneer Van Nistelrooij, maar even natuurlijk liet hij niets merken. 'Den baf' was zijn bijnaam, hij gaf wiskunde en hij rookte veel te veel. Ja, dat is nu niet meer voor te stellen maar leraren rookten toen gewoon in de klas (het eerste jaar dat ik zelf lesgaf deed ik dat ook nog). Van Nistelrooij rookte soms wel drie sigaretten per lesuur en stak ook wel eens per ongeluk het krijtje in zijn mond, of probeerde met zijn sigaret op bord te schrijven. Als wiskundeleraar moest hij natuurlijk veel tekenen op het bord en hij gebruikte nooit een lineaal of passer, hij tekende alles losjes uit de hand en dat zag er best netjes uit. Zelf was hij een sloddervos en zag er zeker niet netjes uit, overigens. Ooit was de knoop van zijn broek af waarmee je dat lipje aan je broekrand vastzet en hij had dat met een veiligheidsspeld opgelost. Discreet had hij met die veiligheidsspeld het lipje naar de binnenkant van zijn broekrand getrokken en daar vastgezet, maar omdat hij in de kleine kinderen zat had hij alleen zo'n grote veiligheidsspeld gehad met een roze knop. En die stak dan weer boven zijn broekrand uit. En gelachen dat we hebben.
Natuurlijk zag hij dat, meneer Van Nistelrooij, maar even natuurlijk liet hij niets merken. 'Den baf' was zijn bijnaam, hij gaf wiskunde en hij rookte veel te veel. Ja, dat is nu niet meer voor te stellen maar leraren rookten toen gewoon in de klas (het eerste jaar dat ik zelf lesgaf deed ik dat ook nog). Van Nistelrooij rookte soms wel drie sigaretten per lesuur en stak ook wel eens per ongeluk het krijtje in zijn mond, of probeerde met zijn sigaret op bord te schrijven. Als wiskundeleraar moest hij natuurlijk veel tekenen op het bord en hij gebruikte nooit een lineaal of passer, hij tekende alles losjes uit de hand en dat zag er best netjes uit. Zelf was hij een sloddervos en zag er zeker niet netjes uit, overigens. Ooit was de knoop van zijn broek af waarmee je dat lipje aan je broekrand vastzet en hij had dat met een veiligheidsspeld opgelost. Discreet had hij met die veiligheidsspeld het lipje naar de binnenkant van zijn broekrand getrokken en daar vastgezet, maar omdat hij in de kleine kinderen zat had hij alleen zo'n grote veiligheidsspeld gehad met een roze knop. En die stak dan weer boven zijn broekrand uit. En gelachen dat we hebben.
zaterdag 11 december 2010
74. de HBS op het Stuyvesantplein
Toen ik dat kwartje voor de kapper kreeg, zat ik al op de HBS. Hoe was ik daar terecht gekomen? Ja, iedereen vond wel dat ik 'goed kon leren', zoals dat toen heette, maar hoe kwam ik op die HBS terecht, in die gele barakken aan het Stuyvestantplein?
Er waren geen open dagen toen, echt niet. Je ging niet shoppen naar welke school je wilde. Tenminste, als je op de school van meester Van Ham zat, in de Trouwlaan, ging je niet shoppen. Als je in de Trompstraat woonde en je vader ('onze pa') werkte in de fabriek, dan ging je niet shoppen.
Ik was me ervan bewust dat er over mijn hoofd heen over gesproken werd. De hoofdonderwijzer. De onderwijzer. De pastoor. Odulphus werd te chic bevonden, te kak. Daar zou mijn afkomst me nagedragen worden. Paulus was modern, een jonge school, dat paste beter bij ons.
Dus Paulus werd het - maar niet dat mooie, grote gebouw op de hoek van de Wandelboslaan en de Ringbaan West, want Paulus groeide uit z'n vel en kon geen dertien eerste klassen kwijt. De oplossing was: een dependance. En omdat Theresia net in dat jaar de lichtgele barakken aan het Stuyvesantplein ging verlaten, trok daar de overloop van Paulus in.
Hoe ze selecteerden - geen idee. Er was wel een gesprek waarin een leraar van Paulus ons pap en ons mam ervan overtuigde dat ik écht naar Paulus ging, alleen in een ander gebouw. Dat het niet minderwaardig was, geen aparte school voor fabriekskinderen. Dat ik les zou krijgen van dezelfde leraren als aan de Wandelboslaan etc etc.
Het zal wel, mij maakte het niks uit. Ik fietste gewoon naar het Stuyvesantplein, dat was lekker dichtbij. Trompstraat, Piet Heinstraat, Pastoor Vromansstraat, De Ruyterstraat, Nieuwstraat, Varkensmarkt, Primus van Gilsstraat, Piustraat oversteken, Stuyvesantstraat. Daar was het. Ik kende er helemaal niemand maar dat kwam vanzelf goed.
Toen ik in de derde klas zat werd met veel bombarie aangekondigd dat we een zelfstandige school werden: het Cobbenhagen College.
Er waren geen open dagen toen, echt niet. Je ging niet shoppen naar welke school je wilde. Tenminste, als je op de school van meester Van Ham zat, in de Trouwlaan, ging je niet shoppen. Als je in de Trompstraat woonde en je vader ('onze pa') werkte in de fabriek, dan ging je niet shoppen.
Ik was me ervan bewust dat er over mijn hoofd heen over gesproken werd. De hoofdonderwijzer. De onderwijzer. De pastoor. Odulphus werd te chic bevonden, te kak. Daar zou mijn afkomst me nagedragen worden. Paulus was modern, een jonge school, dat paste beter bij ons.
Dus Paulus werd het - maar niet dat mooie, grote gebouw op de hoek van de Wandelboslaan en de Ringbaan West, want Paulus groeide uit z'n vel en kon geen dertien eerste klassen kwijt. De oplossing was: een dependance. En omdat Theresia net in dat jaar de lichtgele barakken aan het Stuyvesantplein ging verlaten, trok daar de overloop van Paulus in.
Hoe ze selecteerden - geen idee. Er was wel een gesprek waarin een leraar van Paulus ons pap en ons mam ervan overtuigde dat ik écht naar Paulus ging, alleen in een ander gebouw. Dat het niet minderwaardig was, geen aparte school voor fabriekskinderen. Dat ik les zou krijgen van dezelfde leraren als aan de Wandelboslaan etc etc.
Het zal wel, mij maakte het niks uit. Ik fietste gewoon naar het Stuyvesantplein, dat was lekker dichtbij. Trompstraat, Piet Heinstraat, Pastoor Vromansstraat, De Ruyterstraat, Nieuwstraat, Varkensmarkt, Primus van Gilsstraat, Piustraat oversteken, Stuyvesantstraat. Daar was het. Ik kende er helemaal niemand maar dat kwam vanzelf goed.
Toen ik in de derde klas zat werd met veel bombarie aangekondigd dat we een zelfstandige school werden: het Cobbenhagen College.
zaterdag 4 december 2010
73. Kwartje
Zo eens in de vier, vijf weken ging je naar de kapper (zie no 72). En vlak vóór kerst en pasen natuurlijk, dat deed iedereen en dan waren er lange wachttijden. Maar geleidelijk werd dat kappersbezoek minder vanzelfsprekend. Het raakte zelfs beladen: de jaren '60 braken aan en met de doorbraak van de Beatles was de haarkwestie geboren. Ik was een jaar of veertien, vijftien (dus dat was in 1965, '66) en ik ging kappersbezoek uitstellen*. En werd promopt fronsend bekeken door mijn omgeving. In eerste instantie vooral binnen de parochie, dat speelde toen nog steeds een rol want ik ging natuurljk wel naar de kerk, op zondag - nóg was mijn ziel niet verloren. En daar, bij het uitgaan van de mis, op de stoep bij de kerk van de Trouwlaan dus in de Pastoor Vromansstraat, vond het eerste haargerelateerde incident plaats.
Het ging om de mis van half elf dus het zal half twaalf geweest zijn dat we daar stonden na te praten toen meneer Van de Vrande (uit de Oerlesestraat, driedelig pak, duidelijk van betere stand dan wij) op mij af kwam en met drie vingers in het zakje van zijn zijden vest friemelde. Met veel vertoon overhandigde hij mij een kwartje: 'Hier. Kun je ook een keertje naar de kapper.'
Ik snpate niet wat er gebeurde en keek hem verbaasd aan. Hij grinnikte en verduidelijkte: 'Een kwartje voorde kapper. Ach het is maar een grapje hoor.'
Maar toen ik het kwartje in mijn jaszak stopte werd hij boos en wilde het terug.
* Er was wel een overgangsjaar waarin ik nog wel naar de kapper ging, maar dan zei ik: 'Niet scheren van achter en opzij, hou het maar gedekt.' Thuis leidde dat tot schampere vragen: 'Ben jij naar de kapper geweest? Ik zie er niks van.' Maar dat was natuurlijk juist de bedoeling.
Het ging om de mis van half elf dus het zal half twaalf geweest zijn dat we daar stonden na te praten toen meneer Van de Vrande (uit de Oerlesestraat, driedelig pak, duidelijk van betere stand dan wij) op mij af kwam en met drie vingers in het zakje van zijn zijden vest friemelde. Met veel vertoon overhandigde hij mij een kwartje: 'Hier. Kun je ook een keertje naar de kapper.'
Ik snpate niet wat er gebeurde en keek hem verbaasd aan. Hij grinnikte en verduidelijkte: 'Een kwartje voorde kapper. Ach het is maar een grapje hoor.'
Maar toen ik het kwartje in mijn jaszak stopte werd hij boos en wilde het terug.
* Er was wel een overgangsjaar waarin ik nog wel naar de kapper ging, maar dan zei ik: 'Niet scheren van achter en opzij, hou het maar gedekt.' Thuis leidde dat tot schampere vragen: 'Ben jij naar de kapper geweest? Ik zie er niks van.' Maar dat was natuurlijk juist de bedoeling.
zondag 28 november 2010
72. De kapper (1)
De kapper (een herenkapper) zat in de Hesperenstraat, op een hoek (sinds de gasfabriek afgebroken is, is de lay-out daar ingrijpend veranderd. Ik zou het pand niet meer aan kunnen wijzen). Een kortaffe, chagrijnige man. Zo eens in de vier of vijf weken kreeg je geld mee en moest je erheen. Als je je vriendjes zo gek kreeg gingen ze mee, maar daar moest de kapper niets van hebben: 'Wie van jullie moet geknipt worden?', vroeg hij bars aan ons vieren.
'Alleen hij? De rest wegwezen dan, want als het hier vol zit dan denken ze dat ze lang moeten wachten en dan gaan ze op 'n ander.'
Als je aan de beurt was dan schroefde hij de stoel omhoog, deed een witte strook papier om je nek, dan veel te strak een glanzende cape die hij met een metalen klem vastzette - en dan nam hij je te grazen. Met de tondeuse schoor hij - zoem zoem zoem - de zijkanten en de achterkant van je hoofd bijna kaal, en met een schaar knipte hij de bovenkant kort. Knip knip manoevreerde hij razendsnel met schaar en kam. Hij vroeg nooit hoe het worden moest.
Klaar? Hij spoot je hoofd nat uit een metalen siphon met daaraan een steenrood rubberen slangetje met een knijpbal. zt zt zt zt. Haar in een lijnrechte scheiding gekamd en dat was het dan. Betalen en wegwezen, waar waren de vriendjes?
Je hoofd voelde nog wel onwennig aan, met die strakke haren. En koud, in de winter, met je natte kop.
'Alleen hij? De rest wegwezen dan, want als het hier vol zit dan denken ze dat ze lang moeten wachten en dan gaan ze op 'n ander.'
Als je aan de beurt was dan schroefde hij de stoel omhoog, deed een witte strook papier om je nek, dan veel te strak een glanzende cape die hij met een metalen klem vastzette - en dan nam hij je te grazen. Met de tondeuse schoor hij - zoem zoem zoem - de zijkanten en de achterkant van je hoofd bijna kaal, en met een schaar knipte hij de bovenkant kort. Knip knip manoevreerde hij razendsnel met schaar en kam. Hij vroeg nooit hoe het worden moest.
Klaar? Hij spoot je hoofd nat uit een metalen siphon met daaraan een steenrood rubberen slangetje met een knijpbal. zt zt zt zt. Haar in een lijnrechte scheiding gekamd en dat was het dan. Betalen en wegwezen, waar waren de vriendjes?
Je hoofd voelde nog wel onwennig aan, met die strakke haren. En koud, in de winter, met je natte kop.
zondag 21 november 2010
71. Rijke oom.
De oudste broer van ons moeder had het gemaakt. Die was, zo werd vol ontzag verteld in de familieverhalen, rijk! Echt rijk! Zakken vol geld in de kelder, dacht ik als kind. Dat was natuurlijk niet zo, maar rijk was hij wel. Echt waar. Een self made man, een uitstekende machinebankwerker die ooit in een schuurtje voor zichzelf was begonnen, met een oude draaibank (alweer volgens de familieverhalen en misschien was het wel waar).
Ome Goof, samen met een partner richtte ie een bedrijf op dat nog steeds bestaat hier in Tilburg, maar ik weet niet of er nog familie bij betrokken is want het liep allemaal anders dan ome Goof bedacht had.
De zaak groeide en bloeide en naast nieuwbouw in Tilburg bouwde hij fabrieken in Bergen op Zoom en Reusel. Daar kreeg zijn oudste zoon Piet de leiding, om te oefenen voor later. Ah, die verhalen, leuke stuff was dat op familiefeestjes, die intens saaie familiefeestjes maar als ome Goof er was werd het leuk want die had heel andere verhalen dan de rest. Hij ging op zakenreis met Piet, naar Parijs, en maakte daar kennis met de Franse w.c.'s: 'Ginne pot, gin papier, niks nie. Dus ik hurkte maar zo'n bietje en trok m'n broek losjes op en ging bij de balie informeren hoe dè moes.'
Jazeker, geen woord Frans spraken vader en zoon, maar ze gingen naar parijs voor zaken en ze kwamen terug met contracten en dat werd dan natuurlijk breed uitgemeten als ons moeder jarig was. Wij hingen aan zijn lippen!
En toen ging Piet dood. Geheel onverwacht. Een forse streep door de rekening want Piet, dat was de troonopvolger. Die had het concern over moeten nemen. Never happened. Maar er gebeurde wel van alles anders.
Ome Goof, samen met een partner richtte ie een bedrijf op dat nog steeds bestaat hier in Tilburg, maar ik weet niet of er nog familie bij betrokken is want het liep allemaal anders dan ome Goof bedacht had.
De zaak groeide en bloeide en naast nieuwbouw in Tilburg bouwde hij fabrieken in Bergen op Zoom en Reusel. Daar kreeg zijn oudste zoon Piet de leiding, om te oefenen voor later. Ah, die verhalen, leuke stuff was dat op familiefeestjes, die intens saaie familiefeestjes maar als ome Goof er was werd het leuk want die had heel andere verhalen dan de rest. Hij ging op zakenreis met Piet, naar Parijs, en maakte daar kennis met de Franse w.c.'s: 'Ginne pot, gin papier, niks nie. Dus ik hurkte maar zo'n bietje en trok m'n broek losjes op en ging bij de balie informeren hoe dè moes.'
Jazeker, geen woord Frans spraken vader en zoon, maar ze gingen naar parijs voor zaken en ze kwamen terug met contracten en dat werd dan natuurlijk breed uitgemeten als ons moeder jarig was. Wij hingen aan zijn lippen!
En toen ging Piet dood. Geheel onverwacht. Een forse streep door de rekening want Piet, dat was de troonopvolger. Die had het concern over moeten nemen. Never happened. Maar er gebeurde wel van alles anders.
zaterdag 13 november 2010
70. Paardenpies.
De schillenboer kwam met paard en wagen, een platte, open kar met opstaande randen van slordige planken. De melkboer in de eerste jaren ook, soms reden wij mee. Het paard deed alles uit eigen beweging: linksaf, rechtsaf, wachten bij oversteken, stoppen op de juiste adressen, weer in beweging komen als de melkboer aan kwam lopen. Eén keer begon hij ineens te plassen, een ontstellende hoeveelheid schuimende paardenpies die dampend naar het putje stroomde. De melkboer vertrouwde het niet: hebben jullie er soms met een stokje ingepord? Nee, dat hadden wij niet. Ik wist eigenlijk niet eens dat paarden plasten, geloof ik.
Al snel kocht ie een hemelsblauw volkswagenbusje, en vervolgens elke 4 a 5 jaar een nieuw.
De kolenboer kwam met een grote, open vrachtauto, de laadbak vol kolonzakken. De aardappelboer: ook zo, maar dan aardappelzakken in de bak.
De bakker (ja, de bakkersknecht, maar voor mij was hij de bakker) kwam op een gemotoriseerde bakfiets met een groot, houten deksel dat openklapte en een motortje dat steeds afsloeg en dan lastig weer aan de praat te krijgen was. De man van de huishuur kwam altijd te voet maar zal wel ergens een fiets gestald hebben. Boterboer Spierings, op vrijdagavond: op de fiets met een enorme doos vol boter. De visboer kwam niet langs, wel een knukelboer met een fiets waaraan tassen met knukels hingen.
Scharensliep? Geen regelmatige verschijning. In de zomer kwam soms de ijscoboer met zijn kar, en een heel enkele keer een orgel door de Oerlesestraat. Dan liep de buurt uit.
Al snel kocht ie een hemelsblauw volkswagenbusje, en vervolgens elke 4 a 5 jaar een nieuw.
De kolenboer kwam met een grote, open vrachtauto, de laadbak vol kolonzakken. De aardappelboer: ook zo, maar dan aardappelzakken in de bak.
De bakker (ja, de bakkersknecht, maar voor mij was hij de bakker) kwam op een gemotoriseerde bakfiets met een groot, houten deksel dat openklapte en een motortje dat steeds afsloeg en dan lastig weer aan de praat te krijgen was. De man van de huishuur kwam altijd te voet maar zal wel ergens een fiets gestald hebben. Boterboer Spierings, op vrijdagavond: op de fiets met een enorme doos vol boter. De visboer kwam niet langs, wel een knukelboer met een fiets waaraan tassen met knukels hingen.
Scharensliep? Geen regelmatige verschijning. In de zomer kwam soms de ijscoboer met zijn kar, en een heel enkele keer een orgel door de Oerlesestraat. Dan liep de buurt uit.
zaterdag 6 november 2010
69. Zuinigheid met vlijt - schijt 2.
Je mocht ook geen eten weggooien. Nooit niet. Oh heer, nee. Eten weggooien gold als doodzonde. Het was erger dan, dan.. Nou ja, het was héél erg en je deed het niet. Een ijzeren regel.
Al het eten ging op want wat niet op ging at onze pa op. De kindertjes in Afrika? Geen kans! Alles ging op. Wij waren onze eigen kindertjes in Afrika.
Ik herinner me mijn stille ontzetting toen ik een besmeerde boterham in de pedaalemmer zag liggen bij onze nicht Fia, in haar flatje aan het Westerpark, toen ik daar logeerde. Een boterham! Niet eens een sneetje brood dat zo beschimmeld was dat ze er zelfs in Afrika geen zin meer in hadden en het dus bij de schillen kon - nee, een besmeerde boterham met boter en beleg. In de pedaalemmer. Oh, die kwamen vast in de hel.
Ik biechtte het op bij ons mam als had ik zélf die boterham bij het vuilnis gegooid, en die bleek verrassend mild: "Fia moet zelf weten hoe ze haar huishouden doet."
Kijk, dat dan weer wel.
Al het eten ging op want wat niet op ging at onze pa op. De kindertjes in Afrika? Geen kans! Alles ging op. Wij waren onze eigen kindertjes in Afrika.
Ik herinner me mijn stille ontzetting toen ik een besmeerde boterham in de pedaalemmer zag liggen bij onze nicht Fia, in haar flatje aan het Westerpark, toen ik daar logeerde. Een boterham! Niet eens een sneetje brood dat zo beschimmeld was dat ze er zelfs in Afrika geen zin meer in hadden en het dus bij de schillen kon - nee, een besmeerde boterham met boter en beleg. In de pedaalemmer. Oh, die kwamen vast in de hel.
Ik biechtte het op bij ons mam als had ik zélf die boterham bij het vuilnis gegooid, en die bleek verrassend mild: "Fia moet zelf weten hoe ze haar huishouden doet."
Kijk, dat dan weer wel.
zaterdag 30 oktober 2010
68. Zuinigheid met vlijt - schijt!
De jaren '50: je moest altijd en overal zuinig zijn. Oh wat had ik daar de neus van vol. En nog, nog! Niet dat ik zelf niet zuinig ben in het dagelijks leven want zoiets nestelt zich diep in je mindset, maar es kotzt mich an, in goed Duits. Ik broed op een anecdote die dat goed uitbeeldt en die ik zo op kan schrijven dat de lezer er om kan lachen. Grinniken - boer met kiespijn: ja ja, die fucking zuinigheid.
Boterham met tevredenheid? Nee. Deze: de pindakaaspot. Die moest leeg.
U weet hoe dat gaat: je lepelt wekenlang ongegeneerd pindakaas uit de pot met je mespunt, maar vroeg of laat wordt het moeizaam schrapen: de pindakaas is bijna op! Nog één boterham. Vooruit, nog één sneetje dat kan nog wel. En dan wordt het echt moeilijk om nog tot een aanvaardbare laag pindakaas te komen.
Een verstandig mens begint er niet meer aan en draait een nieuwe, verse pot open (het genot om je mespunt te zetten in zo'n onaangeroerd, smetteloos oppervlak zachte, lichtbruine pindamoes). Maar nee, we zijn zuinig. Er zitten nog strepen pindakaas aan de potwand en in de richel bij de bodem, en pa gaat nauwgezet aan het werk met zijn mes. Systematisch gaat de mespunt op en neer langs de potwand, het hele potje rond: tik tik tik botst de mespunt steeds op de bodem. Tik tik tik ....TAK! We kijken allemaal op vanwege het afwijkende geluid en zien het verbijsterde gezicht van onze pa en de bodem van de pindakaaspot die, zorgvuldig losgetikt, over het tafelkleed rolt.
Boterham met tevredenheid? Nee. Deze: de pindakaaspot. Die moest leeg.
U weet hoe dat gaat: je lepelt wekenlang ongegeneerd pindakaas uit de pot met je mespunt, maar vroeg of laat wordt het moeizaam schrapen: de pindakaas is bijna op! Nog één boterham. Vooruit, nog één sneetje dat kan nog wel. En dan wordt het echt moeilijk om nog tot een aanvaardbare laag pindakaas te komen.
Een verstandig mens begint er niet meer aan en draait een nieuwe, verse pot open (het genot om je mespunt te zetten in zo'n onaangeroerd, smetteloos oppervlak zachte, lichtbruine pindamoes). Maar nee, we zijn zuinig. Er zitten nog strepen pindakaas aan de potwand en in de richel bij de bodem, en pa gaat nauwgezet aan het werk met zijn mes. Systematisch gaat de mespunt op en neer langs de potwand, het hele potje rond: tik tik tik botst de mespunt steeds op de bodem. Tik tik tik ....TAK! We kijken allemaal op vanwege het afwijkende geluid en zien het verbijsterde gezicht van onze pa en de bodem van de pindakaaspot die, zorgvuldig losgetikt, over het tafelkleed rolt.
zaterdag 23 oktober 2010
67. Zondagse pak.
Tja, we droegen gewoon kleren zonder dat we daar veel over nadachten. Bloezen en korte broeken, behalve als het echt koud was in de winter. Dan een lange broek en een trui en hemd en borstrok. Zelfs het eerste jaar op de HBS ging ik in korte broek, net zoals de andere jongens in mijn eerste HBS-klas - 1m, de laatste eerste klas in de rij en een uitzondering omdat er alleen jongens in zaten. De leraren vonden het geen prettige klas,geloof ik. Onrustig. Een dominante doubleur Rob Franken, zoon van de fabrikant die dus mocht doubleren en troubleren en die tenslotte dmv bijlessen toch wel een diploma zou halen, dacht iedereen, want zo zat Tilburg wel in elkaar. Dat hoefde niet uitgesproken te worden - en toen waren ineens the times a'chancing. Die vlieger ging niet meer op, halverwege de jaren zestig.
Maar daar ging het nu niet om. Wat we droegen waren gewoon kleren waar niemand verder veel over nadacht. Je moeder legde die op maandagochtend klaar en dat droeg je dan de rest van de week. Mode? Nooit van gehoord in verband met mijn eigen kleren.
Tot en met zaterdag droeg je hetzelfde plunje, behalve de zaterdagmiddag want dan ging ik naar de welpen/verkennerij en had ik dus een uniform aan. Op zaterdag ging je 's avonds in bad (teil in de keuken) en dan kreeg je je pyama aan. Op zondag deed je je zondagse goed aan. Voor jongens: een pak. Aanvankelijk ook met korte broek, maar wel met stropdas.
Dat pak kon best een afdankertje zijn, een tweedehandsje. In mijn geval was dat in elk geval zo: ik had een rijke neef die een paar jaar ouder was en van hem kreeg ik de pakken. Die werden dan vermaakt tot ze min of meer pasten. Maar de schouders bleven te breed en de pijpen vielen niet goed omdat ze ingekort waren en daar was de omslag bij ingeschoten.
Was dat een lullig gevoel?
You bet. Maar ja, wat kun je er verder aan doen?
Maar daar ging het nu niet om. Wat we droegen waren gewoon kleren waar niemand verder veel over nadacht. Je moeder legde die op maandagochtend klaar en dat droeg je dan de rest van de week. Mode? Nooit van gehoord in verband met mijn eigen kleren.
Tot en met zaterdag droeg je hetzelfde plunje, behalve de zaterdagmiddag want dan ging ik naar de welpen/verkennerij en had ik dus een uniform aan. Op zaterdag ging je 's avonds in bad (teil in de keuken) en dan kreeg je je pyama aan. Op zondag deed je je zondagse goed aan. Voor jongens: een pak. Aanvankelijk ook met korte broek, maar wel met stropdas.
Dat pak kon best een afdankertje zijn, een tweedehandsje. In mijn geval was dat in elk geval zo: ik had een rijke neef die een paar jaar ouder was en van hem kreeg ik de pakken. Die werden dan vermaakt tot ze min of meer pasten. Maar de schouders bleven te breed en de pijpen vielen niet goed omdat ze ingekort waren en daar was de omslag bij ingeschoten.
Was dat een lullig gevoel?
You bet. Maar ja, wat kun je er verder aan doen?
Abonneren op:
Posts (Atom)