zondag 18 april 2010

25. Opschrève bij de melkboer

Wij kregen altijd geld mee als je, vlak vóór 6 uur, nog gauw een ons belegen kaas moest gaan hslen bij de melkboer. Maar niet iedereen. Zo tegen zessen kon het gemeen druk zijn in de winkel ('Zuivelhandel', stond in een halve bood van zilveren letters op het winkelraam) en soms werden kinderen voor dat volle front geconfronteerd met de schulden van pa en ma. Dan hadden ze vele minuten lang gewacht tot ze aan de beurt waren, ze hadden hun boodschap gestameld, die was afgesneden en verpakt en werd overhandigd - nee, dat nog net niet, want de melkboer zei met het onsje sisiworst nog in zijn hand: 'heb je centjes bij je?'
'Opschrève', zei zo'n kind dan - en dan wist je het al.
De melkboer legde de boodschappen buiten bereik, draaide zich om en keek in het grote boek. Zag hij daar een bedrag open staan dan zei hij nee: 'Eerst centjes halen thuis. Zeg maar tegen jullie moeder dat er nog te veel opgeschreven staat.'
Je zag de aarzeling. Wat moest dat kind nu? Thuiskomen zonder worst betekende misschien wel slaag. Maar er zat niets anders op: de papieren zak met worst lag buiten bereik achter de toonbank, de melkboer draaide zich naar de volgende klant.
Afdruipen was het enige dat er op zat - en afdruipen werd het. De winkel zweeg.

24. Aflevering voor boven de 18.

Seks bestond natuurlijk niet in de jaren '50, in de nette Trompstraat, maar toch gebeurde er wel eens wat. Onderstaande heb ik van horen zeggen - uit tamelijk betrouwbare bron.
Er kwam een wijkhuis midden in de Jan van Galenstraat, onderdeel natuurlijk van een burgerlijk beschavingsoffensief, Nette meisjes uit de parochie gingen daar diensten draaien. Ze kwamen voor verrassingen te staan en de eerste was natuurlijk dat die lui uit de Jan van Galenstraat (die nu van 'schooiers' promoveerden tot asocialen') er helemaal niet op zaten te wachten. En dat lieten merken. Als volgt.
Hella was de beroepskracht in het wijkhuis, een mollige blondine van een jaar of twintig. Op de ochtend waar dit verhaal over gaat, ging ze informeren bij een gezin waarom een bepaald meisje niet op de speelmiddag geweest was, woensdag. Ze dacht slim te zijn door midden op de ochtend te gaan, dan was de man vast uit werken en kon ze alleen met de moeder praten.
Dus wat deed ze? Als er een bel geweest was had ze aangebeld, maar er was geen bel dus ze klopte op de deur en er was geen deurknop maar een klink dus toen ze vaag een vrouwenstem hoorde roepen 'Jè kom mar' ging ze binnen.
Ze gaat binnen en staat meteen in de woonkamer en in de woonkamer staat een bed en daar liggen pa en ma in en die liggen te neuken. Dat woord bestond overigens nog niet, toen. In het verhaal dat ik hoorde heette het: 'en die waren bezig', met een veelbetekendende blik erbij. Gelukkig wel onder de dekens, maar er staat nóg een bed in de kamer en daarin ligt de 18-jarige zoon van het stel - te kijken. Met zijn handen onder de dekens.
'Jè wè ist juffrouw', vraagt de vrouw een beetje moeizaam vanonder haar man. Hella os totaal verbijsterd en kan geen woord uitbrengen.
Dan vraagt de zoon op pesterige toon: 'Hèdde soms ôk zin juffrouw?'
'Jè, dan kreupt ur mar bij hôr, hij kan ut goed', grinnikt de moeder, terwijl Hellas bij zinnen komt en volkomen in de war de straat op struikelt.
Luid gelach vanuit het huis: 'He, doe de deur dicht', hoort ze nog maar ze gaat niet terug.

zondag 11 april 2010

23. De Trompstaat? Netjes houden!

Na dat gedoe met de buren (zie nummer 22) vroeg ons moeder een gesprek aan met de maatschappelijk werkster van de wonigbouwvereniging. Hoe zat het?
Hoe zat wat?
Wat waren ze van plan met de Trompstraat?
De mevrouw schrok van het verhaal over de buren met die maffe oma en hun nachtelijke vertrek om de schuldeisers te ontvluchten. Dat was niet de bedoeling. En wat ze van plan waren met de Trompstraat?
'Nou, we willen de Trompstraat eigenlijk wel netjes houden.'
'Als jullie dat van plan zijn dan zijn jullie op de verkeerde weg', vond ons moedere, maar ze was wel gerustgesteld en de verhuisplannen werden voorlopig vergeten. Ons nette bastion tussen twee asociale buurten werd voorlopig beschermd door de woningbouwvereniging - no worries.

22. Dès mèn fiets!

De straat verloederde. Achter ons woonden eerst ome Gerrit en tante Roosje (echte oom en tante) en die verhuisden naar een betere buurt. Wat kwam er voor in de plaats? Gajus!
Naast ons woonde buurman (Van den Bergh, aardige oude weduwnaar meteen inwonende ongetrouwde dochter, tante Jo) en die ging naar het bejaardentehuis (Koningsvoorde) en wat kwam er voor in de plaats? Gajus!
De nieuwe buren brachten een maffe oma mee die via het oude, wrakke poortje ineens bij ons op de plaats stond, met bevende vinger op de fiets van ons moeder wees en vol verontwaardigde overtuiging zei: 'Dès mèn fiets!' Wij geloofden onze oren niet en spijkerden het poortje dicht.
Een paar weken later informeerde de melkboer bij ons moeder: hoezat het met de buren?
Hoezo?
Ze hebben veel opgeschreven staan en ze doen al een paar dagen niet open.
Waren ze stiekem verhuisd, 's nachts. Hadden wij niets van gemerkt.

zondag 4 april 2010

21. Gazon! Vijver!

Bloemperken of moestuinen om het dieet aan te vullen, dat was het wel zo'n beetje qua tuin achter de huizen van de Trompstraat. Heggen ertussenin waar je gemakkelijk overheen kon praten en vaak ook nog met een verbindingspoortje zodat je makkeijk achterom kon bij de buren.
En toen ineens gonsde dat achtertuinenwereldje van opwinding: bij Swaanen, de buschauffeur van drie tuinen verder, gingen ze een gazon aanleggen. En een vijver.
Een gazon! Ik wist niet eens wat dat was, maar het bleek een soort grasveld te zijn. Alleen niet van dat lange gras maar kortgemaaid, net als een voetbalveld. Enfin, iedereen weet dat tegenwoordig maar toen was het nieuw. Of misschien niet helemaal nieuw maar wel: sociaal ongehoord. Een gazon, dat was iets voor rijke mensen. En een vijver al helemaal! Dat hoorde niet, in een gewone straat.
De tijden, zij veranderden!

20. Heggeschaar

In de Trompstraat hadden alle huizen een achtertuin, een flinke zelfs vanwege de Tilburgse traditie dat de arbeiders hun loon aanvulden met zelf verbouwde groente. Vaak waren het moestuinen dus, maar zo niet achter nummer 7. Bij ons bloemperken met floksen, zonnebloemen, rozen, seringen, margrieten. Etc. En een flinke berkenboom achterin, tot ergernis van de achterburen want die nam veel zon weg.
Tussen de tuinen stonden heggen, liguster denk ik. Geen prikkels in elk geval.
Heggen moesten natuurlijk geknipt worden en daarvoor had je een heggenschaar nodig, maar dat was een duur ding. En hoe vaak moest je een heg nou nog knippen? Zonde toch om daar zo'n duur instrument voor aan te schaffen.
Dus wat deden ze?
Ze legden hutje bij mutje en kochten met de hele rij één heggeschaar. Die kon iedereen gebruiken en na gebruik terugbrengen naar de centrale bewaarplaats: bij ons in de schuur.
Dat dat zo was en dat dat niet onze schaar was maar gemeenschapsbezit, dat bleek mij pas toen we gingen verhuizen en pa en ma overlegden hoe dat nu moest met die schaar. Konden ze die nu gewoon meeverhuizen?
Dat overleg was geheel overbodig want de buurt verloederde en niemand die nog wist dat die schaar commune-bezit was. De mensen die daar aan meegedaan hadden waren dood of verhuisd of hadden een schutting gebouwd om zich te beschermen tegen de nieuwe buren.

zaterdag 27 maart 2010

19. De Nekker

Trompstraat uit, Oerlesestraat oversteken, Trouwlaan in naar Lidwina, 't witte kerkje. Generaal Smutslaan oversteken en dan kwam je bij de Ringbaan Zuid. Daarachter lag landbouwgrond: korenvelden. Daar speelden we wel en ik heb altijd gedacht dat dat De Nekker heette maar dat was niet zo. 'D'n akker', dat was wat ze eigenlijk zeiden. Oh.
Bij Adam en Eva? Ja, daar! Heel Tilburg-zuid wist dan waar dat was, maar voor u moet ik het natuurlijk uitleggen. 'Adam en Eva' stonden daar, aan het einde van de eerste pad vanaf de Ringbaan. Twee paaltjes, eentje dik en eentje dun. Iedereen wist dat ze Adam en Eva heetten, maar misschien ben ik wel de enige die weet hoe ze aan die naam komen. Dat verhaal hoorde ik een paar jaar geleden op de begrafenis van de melkboer (waarover later meer).
Bij de koffietafel zat ik naast een oude boer en toen ik vertelde dat ik op het ROC werkte, zei hij: 'Oh, het ROC, dat staat op onze grond. Ja, tenminste, vroeger was dat onze akker.' 'Bij Adam en Eva?'
'Ja, verrek, weet jij dat ook? Maar weet je ook hoe ze aan die naam komen?'
Hij vertelde. Zijn vader had die akkers en dat pad aangelegd en wilde dat punt markeren, dus zette hij op een avond, samen met zijn zoon, twee paaltjes in de grond. Alleen, hij had niet twee even dikke, dus werd het één dik en één dun paaltje.
Toen ze die gezet hadden en een eindje op hadden gelopen, keken ze nog een keer om naar die paaltjes in het vlakke land en toen zei pa: 't lijken Adam en Eva wel, zo met z'n twee-en.
En die naam is dus blijven hangen. (Nu is daar de rotonde van Stappegoor. Wat een flater dat die niet Adam en Eva heet.)

18. Aorig.

Mutsaers was 'unne pliesie', één van die woorden die je niet kon omzetten naar het Nederlands. Dan moest je 'agent' zeggen - en dat was toch weer iets anders voor mijn gevoel. In Tilburg had je geen agenten, wel pliesies.
Wij spraken natuurlijk Tilburgs: gij en oe en onze pa. En hedde um gezien?
Dat waren allemaal woorden die je in het Nederlands ook had, alleen sprak je ze dan anders uit. Maar er waren ook woorden waarbij het moelijker lag. Aorig.(Of 'Oarig'? Hoe schrijf je dat? Doe nie zò oarig.)Eerst probeerde ik 'aardig' maar dat was het natuurlijk niet. 'Raar', jawel, maar tot op de dag van vandaag blijft dat een vreemd woord voor mij.
'Schènen doe nie zeer' bleek 'schelden' te zijn. en 'verschieten' 'voorschieten'. Dat was nog een blamage op de HBS, dat ik een vriendje netjes vroeg of hij me een kwartje kon verschieten. Vragend keek hij me aan.
'Hij bedoelt 'voorschieten', zei een andere jongen.
Ik bloosde van schaamte. Sociale stijging gaat van au.

zaterdag 20 maart 2010

17. Pliesie? Mutsaers!

Op een vage manier wisten we natuurlijk wel dat er ergens een politiebureau was ('woutenkiet', zeiden de stoere jongens) waar al die pliesies woonden, maar bij ons in de buurt kon je maar één ding bedoelen als je 'de pliesie' zei: Mutsaers!
De wijkagent. Groot, breed, vierkant en altijd helemaal in het zwart: pet op, lange, zwarte leren jas, zwarte leren laarzen. Alles kraakte als hij zich bewoog.
Als we op straat voetbalden en iemand riep 'de pliesie' dan was het Mutsaers. Achteraf vraag je je af waarom het eigenlijk niet mocht en op welke gronden hij de 'bol' in beslag nam, maar toen kwam dat niet in je op. En je bol was je kwijt, voorgoed.
Evengoed was het dezelfde Mutsaers die het jaren later voor elkaar kreeg dat er een voetbalveldje kwam in de verlengde Trouwlaan, vlak vóór de Ringbaan Zuid. (Dat veldje is er trouwens nog, tegenover Koningsvoorde.) Toch is het niet goed afgelopen met pliesie Mutsaers. Er waren geruchten en later krantenberichten en een echt schandaal over het begluren van vrouwen in de buurt.
Goh: pliesie Mutsaers die naar blote vrouwen loert. Menselijk after all.

16. Geweld thuis (niet bij ons natuurlijk)

Er waren 2 soorten ouders, als het om 'slaag door de meester' ging. (Stel dat ze het aan de weet kwamen.)
In het ene geval was de reactie op de klacht: 'De meester heeft me geslagen': 'Dan zulde ut wel verdiend hebben. Hier hedde ur van mén òk één.'
En pats!
In het andere geval toog de moeder op hoge poten (nou ja, op pantoffels dan) naar school om verhaal te halen: ik ben de enige die mijn jong mag slaan. Ooit zag ik zo'n schreeuwende moeder op de gang op school staan, onder aan de trap ging ze te keer tegen de bovenmeester, Van Ham. Die hoorde haar ernstig aan. Er kwam een andere meester bij staan. De moeder keerde zich tegen hem. Van Ham nam een korte pauze: liep het trapje op, verdween in zijn kamertje en kwam een paar tellen later weer terug. Zonder onderbreking zette de vrouw haar scheldpartij voort, nu weer tegen hem. Maar het liep niet altijd zo vrolijk af.
Nooit kwam er overigens een vader naar school om verhaal te halen. Een kerel? Niet nodig, de vrouwen waren mans genoeg. En dan was er natuurlijk ook, als overtreffende trap, de Rooie Stien. In haar jonge jaren nog met echt rood haar en zonder het befaamde handtasje-met-baksteen. Dat had ze toen nog niet nodig.

zaterdag 13 maart 2010

15. Bekkenslag.

Geweld in de klas? Jazeker. In de derde klas zat ik bij meneer Reese. We zaten in ouderwetse schoolbanken, twee aan twee in rijen achter elkaar. Als je zat te kletsen of iets anders deed dat hem niet aanstond of zomaar, zei hij (op vermoeide toon alsof hij het ook niet kon helpen): 'Sanberg, naast de bank.'
Protesteren hielp niet.
In de loop van de ochtend kwamen er zo 2 of 3 of 4 jongens naast hun bank terecht. Dan kwam ie achter zijn lessenaar vandaan en begon langzaam door de klas te lopen. De jongens naast de bank begonnen te zweten. Hij naderde je van achteren en gaf je een enorme draai om je oren, zo hard dat je terug de bank in tuimelde. Dat deed zeer maar dan had je geluk.
Als je pech had dan sloeg ie met twee handen tegelijk aan weerskanten van je hoofd tegen je oren, van onder naar boven, alsof ie twee bekkens tegen elkaar sloeg. Dan bleef je wel overeind staan maar dat was niet iets om blij mee te zijn want je oren gloeiden (van buiten) en suisden (van binnen).
Halverwege het schooljaar verdween Reese van school. Nooit meer iets van gehoord.

14. Huilepie - 2

Soms liep het echt uit de hand, op de speelplaats, als de vechtpartij een onverzoenlijke vechtersbaas betrof of een onverdraaglijke belediging. De surveillerende meester worstelde zich door de joelende massa, greep de vechtenden in hun kraag, trok ze met enige moeite uit elkaar en stuurde ze bars elk een andere kant op, door de bewonderende toeschouwerskring heen.
Normaal gesproken wa het daarmee voorbij, maar soms liet een onverzoenlijke psychopaat zich niet zo simpel wegzetten: de rekening stond nog open. Buiten de kring gekomen draaide ie zich op z'n hakken om, zocht in het geleidelijk afnemende gewoel tot ie z'n tegenstander opnieuw in het oog kreeg, sprong hem als een kat op zijn rug en ging met niets ontziende woestheid te keer. Oei, dat was tegen de mores en soms liep dat uit op politiewerk (waarover later meer).
En ik stond er een keer bij dat niet een meester maar een oudere broer (behorend tot de categorie 'bevorderd wegens leeftijd') door de massa drong, de jongen die zijn broer te lijf ging op de schouder tikte en hem, toen ie zich omdraaide, een korte, droge, keiharde hoek op zijn kaak gaf. Als een slappe pop zakte de jongen door de knie-en. Knock out. Er viel een verpletterde stilte in de kring - dat was de bedoeling niet!

zaterdag 6 maart 2010

13. Huilepie!

Veel geweld op school (en in de buurt trouwens ook): in de lokalen, in de gangen en op de speelplaats. En buiten de school natuurlijk, bij het uitgaan. Op de speelplaats, onder het speelkwartier dat voor de hele school op hetzelfde moment was, werd af en toe 'voor menes' gevochten. Hoe af en hoe toe?
Mwah, elke week toch wel een keer, voor mijn gevoel.
Als twee jongens 'voor menes' slaags raakten vormden de anderen meteen een wriemelende, bewegende, joelende kring om de vechtpartij heen. Die kring werd in een mum van tijd een massa, want de hele speelplaats stroomde (sensatiebelust) toe om te kijken: dringen om vooraan te komen zodat je wat kon zien, wringen en stompen en duwen en ondertussen opgewonden schreeuwen: Huilepie! Huilepie! Huilepie!
Wat dat betekende of hoe je het moest schrijven wist niemand, maar dat was de yell die bij 'menes' hoorde en al na enkele tellen ging dat mooi synchroon en dreunde het lekker door: Huilepie! Huilepie! Huilepie!
Lang duurde het nooit want de surveillerende onderwijzer snelde natuurlijk meteen toe, worstelde zich door de massa heen en trok de vechtersbazen met hun bebloede koppen uit elkaar.
Opluchting alom.

12. Pislucht

De eerste jaren op de lagere school (vanaf 1958. Van de kleuterschool daarvóór herinner ik me alleen dat ik probeerde onder de rokken van de juf te kijken, maar er was niets te zien en daar kan ik geen stukje mee vullen) was er geen fatsoenlijke w.c. Op de speelplaats was een afdak en daaronder, tegen de muur, was een plasgoot. Gewoon over de hele lengte van het afdak en in het zicht van de lokalen daar tegenover. Geen tussenschotten of zoiets en de leraren gebruikten het ook: je stond met je rug naar de speelplaats in het zicht van iedereen te plassen. Later kwamen er wel echte w.c.'s, binnen, en werd het afdak afgebroken. In de plaats daarvan kwamen barakken voor de hoogste klassen en er was praat over omdat het maar niet lukte de pislucht weg te krijgen.
In die barakken kwamen de 2 zesde klassen en toen ik 12 was kwam ik daar dus ook in. Samen met een aantal jongens van 14, 15 of 16 jaar die nauwelijks konden lezen of schrijven en steeds waren bevorderd 'wegens leeftijd'. Moeilijk in de hand te houden, die jongens. Wij, de gewone jongens van een jaar of 12, keken tegen hen op en waren er ook wel bang van. Wat die allemaal durfden!

woensdag 3 maart 2010

11. Meester Van Ham

De school was om de hoek. De officiele naam was de Gerardus Majellaschool, maar het was natuurlijk gewoon 'de school van de Trouwlaan', ook wel bekend als de school van meester Van Ham. Want die was de baas, het hoofd der school. Hij runde de school alsof hij ermee getrouwd was: toegewijd en liefdevol. Een gedreven man die ook nog een tijdje in de gemeenteraad heeft gezeten en die rondvertelde dat zijn school erg goed lag bij de minister in Den Haag: hij kreeg immers altijd extra leerkrachten! Het achterstandsbeleid avant la lettre.
Toen er een inbraakgolf was in Tilburgse lagere scholen ging meester Van Ham elke nacht nog even kijken of alles wel in orde was, op school. En toen was een keer niet alles in orde, toen hij om 4 uur 's nachts (!) nog even poolshoogte nam. Er was verdorie een ruitje ingetikt.
Van Ham ging het marmeren trapje naar zijn hoofd-der-schoolkamer op, hoorde gerucht, kuchte zelf (hij was een verwoed roker), de gewaarschuwde inbreker kwam de kamer uit en sloeg Van Ham recht in zijn gezicht zodat die achterover van het trapje viel. Buiten westen. Boef ervandoor.
Dat was natuurlijk sensationeel, maar de volgende ochtend was Van Ham weer gewoon op school - met een gezicht vol pleisters en krammen de held van de dag.

zondag 28 februari 2010

10. Deurknop

De voordeur van Trompstraat 7 had een klink. Ja, dat haal je de koekoek, denkt u nu, hoe maak je hem anders open? Maar als u nog eens denkt dan bent u verbaasd: een klink?
Jazeker, een klink. Als de deur niet op slot was kon iedereen gewoon binnen, vanaf de straat. Dat was in de hele straat zo en dat was makkelijk. Bijvoorbeeld. Eéns in de week werd de huishuur opgehaald, maar soms kon moeder daar niet voor thuisblijven. Dan legde zij het huurboekje (waarin de ophaler aftekende dat er betaald was) met daarin de precies afgepaste huur, op de onderste tree van de trap en ging gewoon weg.
De huur-inner kwam als altijd, belde en werd niet opengedaan. Hij deed de deur open, nam het geld uit het boekje, tekende de week af, legde het boekje terug en ging verder. Dat ging in de hele straat zo, nooit iets mee aan de hand geweest. Een 'high trust society' noemen sociologen dat sinds het niet meer bestaat.
Maar de tijd schreed voort en op een goed moment besloot de woningbouwvereniging dat die klinken old school waren. De hele straat kreeg een deurknop en een lipsslot, zo-eentje dat automatisch in het slot valt als je de deur sluit. Met zo'n laffe, platte sleutel die die naam eigenlijk niet verdient. (Die andere sleutel, de oude, dat was een groot, zwaar, zinkkleurig geval met versieringen in het metaal. Hij stak altijd in het slot, als een soort amulet.)

zaterdag 27 februari 2010

9. 'Knukels!'

Kwam er geen visboer aan de deur, dan? (zie blog 8: de schillenboer).
Nee, vis haalde ons mam op de markt, op vrijdag: vasten- en onthoudingsdag, maar wat 'onthouding' inhield snapte ik pas veel later. Toch kwam er wel een soort visboer door de Trompstraat, onregelmatig en alleen 's zomers, meen ik mij te herinneren. Een wat mottige figuur, lopend naast een fiets die vol manden hing.
'Knukels', schreeuwde hij op gezette tijden, 'Lekkere knukels'. Want die zaten in zijn manden en kon je dus kopen. Duur waren ze niet want wij kregen ze ook, hoewel pa ze niet moest. Maar ons moeder was er gek op en van haar leerde ik hoe je ze moest eten.
Ja, je moest ze eerst goed zoeken want het waren verrekte kleine beestjes en ze zaten diep verborgen in een soort slakkenhuis waarvan de opening afgedekt was door een soort vliesje / korstje. Ik kreeg een speld in mijn hand gedrukt en moeder deed het voor: eerst duwde je de speld achter het vliesje, dat wipte je weg want dat kon je niet eten. Dan zo, met de speld diep in het slakkenhuis wroeten en langzaam langzaam langzaam het wormpje (de knukel) er uit trekken. Als je het langzaam en voorzichtig deed, kreeg je de hele knukel mee. Was je te snel of had je een slecht exemplaar, dan brak het wormpje doormidden en zat je met een onooglijk stukje niks dat nergens naar smaakte.
En de hele knukel, smaakte die?
Mwa, vooral naar zoute smurrie. Beetje sponsachtig. Ik at ze eigenlijk vooral omdat mijn zussen er bij zaten te griezelen.

dinsdag 23 februari 2010

8. 'De schillenboer!'

Er kwamen nogal wat boeren aan de deur, op Trompstraat 7. Niet de groenteboer want die zat op de hoek van de straat (op de andere hoek zat slager Smits), maar wel de kolenboer (in de herfst, kranten op de grond in gang en keuken want hij ging met de zakken op zijn rug het hele huis door naar de schuur), de aardappelboer (alleen in de gang kranten want hij stortte zijn zaakje in de kelder onder de trap), de melkboer (waarover later meer), de boterboer (Spierings. Die kwam op vrijdagmiddag en dat was precair want op vrijdag bracht pa z'n loonzakje mee. Als Spierings vóór pa kwam, kon ons moeder hem soms niet betalen en moesten we hem aan de praat houden tot pa er was), en de schillenboer. De schillenboer? Bracht die schillen dan?
Nee, hij haalde ze: veevoer.
Bij ons thuis gingen alle schillen in de schillenmand en die stond voor de grijp in het schuurtje. Twee keer per week gooide iemand de poort open, riep luid en duidelijk in de richting van het huis 'de schillenboer', pakte blindelings in het schuurtje de schillenmand, gooide die leeg in zijn kar, zette de mand terug en gaf zijn paard de sporen.
('Denkt er om: geen sinaasappelschillen want dan raken de varkens aan den dunne',vertrouwde de schillenboer me ooit toe. Ik wist niet wat 'den dunne' was, maar dat zei ik niet.)

zaterdag 20 februari 2010

7. De Volt gaat uit

De Trompstraat was een kaarsrecht potloodstreepje tusen de Oerlesestraat en de Piet Heinstraat in en veel verkeer was er niet in die jaren, maar op een doordeweekse dag moest je niet proberen om van ons uit de Oerslesetraat over te steken zo net na vijven. Dan stond je zeker een kwartier te wachten voor een onafzienbare file.
Een file?
Jazeker, een file fietsers. Want een eindje verderop was De Volt, het Tilburgse filiaal van Philips, en daar werkte zeker duizend man. En die kwamen allemaal op de fiets. En om vijf uur gingen ze allemaal weer op de fiets naar huis, een schier eindeloze kolonne volwassen mannen (die nooit individueel werden) die twee aan twee de hele straat vulden, onafgebroken, en in mijn herinnering allemaal met een (leeg) broodtrommeltje achterop onder de snelbinder.
Pas veel later realiseerde ik me dat hooguit de helft van de Volt-workforce langskwam, op zo'n manier. De andere helft ging natuurlijk de fabriekspoort uit de andere kant op. En het idee dat er wellicht op zo'n moment ergens in Tilburg een gezin aan tafel zat en om de tijd te doden het spel 'fietsen' speelde, gezamelijk prevelend: nu is hij in de Oerlesestraat, fietsen fietsen fietsen...

woensdag 17 februari 2010

6. Fietsen fietsen fietsen....

Onze pa werkte in de fabriek. Het waren de jaren van de wederopbouw dus er werd hard gewerkt. In de winter stond hij onwaarschijnijk vroeg op, om 5 uur, want dan ging hij de verwarmingsketel aansteken en dat moest vóór de grote massa kwam. Een gereedschapmakerij was het, op de Bredaseweg, ons pa beheerde het magazijn. In de vakantie ging ik soms met hem mee, zijn magazijn stond vol moten ijzer en staal van verschillende grootte. Zwaar spul: ik kon ze niet tillen.
Hij ging natuurlijk op de fiets naar zijn werk want hij had niets anders. Niemand had iets anders, bij ons in de buurt. Soms was hij laat thuis en zaten we aan tafel te wachten met het eten. Het spel dat we dan speelden was: zijn fietsroute meezeggen.
Dus (mama en ik en mijn twee zussen rond de tafel, gezamenlijk hardop):
nu fietst hij de poort uit en de Bredaseweg op, fietsen fietsen fietsen,
nu is hij bij de Zomerstraat, fietsen fietsen,
nu draait hij de Trouwlaan in fietsen fietsen fietsen,
nu de PietHeinstraat door,
nu is hij bij het poortje, lopen lopen lopen,
nu doet hij de poort open….
Soms kwam het precies uit en deed hij op dat moment de poort open.
Triomf!